Hoogbegaafd
Dyslectici
Homeopathie


In Brandpunt vertellen artsen en medische specialisten openhartig over de fouten die ze maken. Per jaar overlijden ongeveer 2.000 mensen door vermijdbare medische missers in ziekenhuizen. Dat zijn bijna drie keer zoveel doden als er in het verkeer vallen. En dat aantal stijgt alleen maar. Maar het toegeven van deze missers gebeurt nauwelijks.

De boodschap van de artsen is helder: pas als er einde komt aan de verstikkende hiërarchie en de misplaatste arrogantie in de zorg, zal het aantal medische missers drastisch dalen.

Onderzoeksresultaten

Iedereen kan fouten maken, maar in de gezondheidszorg kunnen fouten grote gevolgen hebben voor de patiënt en zijn omgeving. In Nederland worden jaarlijks duizenden fouten in de zorg gemaakt, met soms overlijden van de patiënt tot gevolg. Eerdere onderzoeken, ook van de Consumentenbond, hebben uitgewezen dat patiënten eerlijkheid en begrip van de hulpverlener belangrijk vinden. Maar hoe is de ervaring van patiënten in de praktijk?

 

Ons onderzoek

Naar aanleiding van een artikel in de Consumentengids van juli/augustus 2011 over medische missers is op de campagnesite van de Consumentenbond “Kiezen moet kunnen” een meldpunt geopend.

Het meldpunt was voor mensen, of diens naasten, die de afgelopen jaren een medische fout hebben meegemaakt en daar hun verhaal over wilden vertellen. Het is echter onmogelijk om na te gaan of er juridisch daadwerkelijk sprake is van een fout. Probleem in de praktijk is veelal het lastige onderscheid tussen een complicatie en een medische fout. Een complicatie is een realistisch risico van een bepaalde behandeling (bijvoorbeeld een wondinfectie na een operatie of een bijwerking van een medicijn). Bij een medische fout is de schade aan de patiënt alleen te wijten aan de hulpverlener(s). Wat voor een gedupeerde een fout lijkt, kan na een medische evaluatie toch een complicatie zijn. Bij de interpretatie van de resultaten moet dus bedacht dat het gaat om de ervaringen van mensen die geloven een medische fout mee te hebben gemaakt. Dit staat echter niet vast.

 

Het meldpunt was open van 11 juli tot 1 september 2011. Daarnaast is de vragenlijst actief uitgezet onder een panel. De resultaten van de twee groepen zijn samengevoegd.

 

De Resultaten

Vragenlijst ingevuld via meldpunt: 1343

Vragenlijst ingevuld via panel: 533

Vragenlijst totaal: 1896

 

Achtergrondkenmerken van de melders:

  • 56,5% is vrouw.

  • De leeftijd varieert van 16 tot 95 jaar. 56% is 55 jaar of ouder.

  • 67,9% heeft zelf de medische misser meegemaakt. De overige respondenten hebben de vragenlijst voor een naaste ingevuld.

  • 23,6% van de fouten is voor 2001 gemaakt, 13,5% tussen 2001 en 2005, 36,7% tussen 2005 en 2010, 14,2% in 2010 en 12,1% in 2011.

 

Fouten

De meeste fouten werden door medische specialisten gemaakt. Bijna driekwart van de fouten heeft dan ook plaats gevonden in het ziekenhuis, waarbij de meeste fouten werden gemeld bij chirurgen (23,9%) en orthopeden (13,8%).

Een verkeerde of te laat gestelde diagnose (52%), fout tijdens de operatie (25,4%) en een fout tijdens de behandeling zijn de meeste genoemde oorzaken in het onderzoek.

 

Enkele schokkende verhalen

weekendarts dacht dat het griepachtige verschijnselen waren en werd tijdens het huisbezoek gebeld ivm het overlijden van een patiënt; de arts ging naar de overledene en zou daarna terugkomen om de diagnose verder te stellen: dat was niet meer nodig, ondertussen was de patiënt overleden aan een hartstilstand.”

Tijdens een operatie is er een stuk boor achtergebleven in mijn knie. Arts eerst ontkend maar na aandringen toch röntgenfoto laten maken en hierop was het boortje te zien.”

bij darmkanker operatie is de darmwond open gegaan er werd veel te laat ingegrepen pas 2 dagen later een scan, toen zeer zware buikvlies ontsteking met spoed geopereerd daarna maand in coma.”

Specialist kwam niet op dagen terwijl duidelijk gesignaleerd was dat mijn vader in hevige ademnood verkeerde. Zowel de verpleegkundige als ik hebben hem gebeld, maar tot de dienst overgedragen werd aan een andere arts (3 uur later)kwam er geen dokter. Toen er eindelijk een (andere) arts verscheen is mijn vader direct intern overgeplaatst naar de IC. daar is mijn vader een week later aan de gevolgen van dit handelen is overleden.”

na de keizersnede zijn er twee buikgazen achter gebleven.”

Op foto was vernauwing kransslagader duidelijk zichtbaar, terwijl cardioloog meende dat kransslagaders tip-top waren. Meteen plaatsen van zgn. stand had tweede hartaanval voorkomen.”

Verkeerde diagnose door niet goed naar röntgenfoto te kijken. Bleek een dodelijke tumor, maar werd afgedaan als overspannenheid.

curettage onder verdoving d.m.v. ruggenprik. Arts veroorzaakte opening in baarmoederwand, waardoor ca. 1 1/2 liter spoelvloeistof in buikholte terecht kwam. Toen onder algehele narcose reiniging noodzaak. Enkele uren ic-verpleging en 2 dagen ziekenhuis i.p.v. dagopname.

het niet op tijd onderkennen dat mijn schoonvader een gebarsten aneurysma had in zijn buik.”

Door de verkeerde diagnose in 2007 door de patholoog anatoom heeft mijn broer in 2009 een recidive gehad met als gevolg uitzaaiingen door de rest van zijn lichaam. Hij heeft door de verkeerde diagnose geen adequate behandeling kunnen krijgen. Zowel LUMC, als Daniel de Hoed als Nijmegen gaven geen thuis. Nijmegen had de behandeling van dendritische cellen en hyperthermie maar mijn broer werd uitgeloot voor deze behandeling. In Daniel de Hoed namen ze mijn broer niet serieus. Met als gevolg dat mijn broer heeft moeten uitwijken naar het buitenland. Omdat mijn broer een gezin heeft met 3 minderjarige kinderen wilde hij alles aanpakken wat in het vermogen zou liggen om zolang mogelijk bij zijn vrouw en kinderen te willen zijn. Op 30 juli 2010 is mijn broer overleden...”

Betreffende arts deelde tijdens zondagochtend visite mee, dat hij dit soort routine operaties niet leuk vond, hij specialiseerde zich in lasertechnieken. Naderhand bleek dat niet hijzelf maar een arts-assistent de operatie heeft verricht. Hier ben ikzelf achter gekomen, is niet door arts verteld. Tijdens hysterectomie zenuwknoop van darmen doorgesneden en daardoor na talloze operaties nu voor altijd een continent ileostoma. Door dit alles is het gevolg einde huwelijk geweest.” (wil graag nader toelichten in gesprek)

 

Minder dan 1 op de 10 hulpverleners heeft uit zichzelf toegegeven dat er een fout is gemaakt. Nog eens 10% deed dit nadat de patiënt of diens nabestaanden er specifiek om vroegen. Het merendeel van de hulpverleners laat echter niets aan de patiënt weten.

 

Enkele opvallende ervaringen

alleen voor het feit dat de diagnose meerdere malen is gemist, er is niet gesproken over evt fouten bij de ingreep zelf.”

Arts in opleiding aanwezig bij het traumabed heeft anoniem laten weten dat er een fout is gemaakt.”

De hoogleraar chirurg noemt het operatierisico dat iedere arts kan overkomen.

De huisarts gaf toe een fout te hebben gemaakt nadat de cardioloog hem daarop had gewezen.”

De uitslag van de MRI gaf aan dat er een beschadiging was en de Neuroloog vertelde dat ik waarschijnlijk te lang in een verkeerde houding had gelegen tijdens de operatie.”

In eerste instantie wel door arts, nadat hij blijkbaar erg geschrokken was. Toen het overlijden een feit was veranderde het verhaal van de medici, het was niet hun fout, oude mensen van 65 jaar lopen nu eenmaal hogere risico's.”

Nee niet toegegeven, wel €15.000,00 betaald.”

Nee, de betreffende Chirurg probeerde zich ervan af te maken door op te merken, dat ik zulke slechte slagaderen heb, dat een spontaan aneurysma was ontstaan, hetgeen door de radioloog als onzin werd betiteld.”

Nee, het ziekenhuis zegt geen fout te hebben gemaakt en dat mijn moeder, hoewel zij onder volledige narcose was, op onverklaarbare wijze van de operatietafel is gevallen.”

arts ontkende dit en gooide het op mijn 'onkundige aanstellerij’. Andere arts tijdens operatie gaf volmondig toe en controle arts in opleiding zei: ja, er is een fout gemaakt, maar sssstt.”

 

 

 

 

Houding

Respondenten zijn dan ook niet erg tevreden over de houding van de hulpverlener die de fout heeft gemaakt.

 

Enkele opvallende uitspraken

gesprek gehad maar zij zeggen niet fout gehandeld te hebben. Nu mist opeens het laatste, zo belangrijke, stuk uit het dossier waar de medicatie en hoeveelheid in staat.”

Hij deed zijn fout met een schouderophalen af en ik kreeg sterk de indruk dat hij dacht: Daar heb je weer zo’n zeurpiet.”

Van de persoon hoor je nooit meer, alles gaat via verzekering van het ziekenhuis.”

Men houdt elkaar de hand boven het hoofd en beweert zorg te hebben verleend die nergens gedocumenteerd is. Zogenaamd is nu een en ander 'zoek' geraakt.”

Het niet willen erkennen:BAGELATISEREN van mijn versie. Het is een enorme muur waar men tegenaan loopt.”

nooit een excuus, nooit een vorm van medeleven,fout proberen ergens anders te leggen,onbeschofte behandeling.”

 

 

 

Ook is meer dan de helft van de respondenten niet te spreken over de aandacht die er vanuit de instelling voor de fout is.

 

Enkele uitspraken

Ik kreeg talloze brieven om te beantwoorden, maar vooral veel verzoeken om de klacht in te trekken.”

ik ben in een ander ziekenhuis opnieuw geopereerd en heb nooit meer iets gehoord van het eerste ziekenhuis.”

er werd goed geluisterd, en ook de arts was erg ontdaan door het misgedrag.”

Nooit antwoord gekregen op een brief.”

Men is er niet op teruggekomen. Ziekenhuis had op zijn minst de medewerker kunnen verplichten excuses te komen aanbieden, of op enigerlei wijze zelf excuses kunnen aanbieden. Maar niks van dit alles.”

Het gebeurde bij een ervaren arts die een paar maanden in dit ziekenhuis verving en kort daarna vertrok deze man. Ik was zelf lichamelijk en psychisch nog niet zover dat ik mijn boosheid goed kon verwoorden. Het gesprek met hem liep op niets uit en het ziekenhuis reageerde: hij is nu weg, dus wat moeten we nog.”

Er werd niet gereageerd op mijn verhaal... Alleen de zuster die er bij was toen ik onverdoofd werd opengeknipt ( en daarna doorweekt van de troep die uit mijn wond kwam mij achterliet)was geschokt door de werkwijze van de chirurg.”

"Het is niet anders, u zult ermee moeten leren leven", zo luidde de mening van de chirurg!”

 

Hoewel het probleem niet zomaar oplost, is eerlijkheid en excuses vanuit de hulpverlener en de instelling voor patiënten belangrijk.

 

In de praktijk blijkt dat mensen na een medische fout niet zo snel een officiële klacht indienen; slechts 22,7% (n=431) van de melders heeft dit gedaan. Het beeld van David tegen Goliath lijkt nog steeds te bestaan. 36,1% van de respondenten geeft aan dat ze verwachten dat het indienen van een klacht “toch geen zin” heeft. Heel wat anderen weten niet hoe ze het indienen van een klacht moeten aanpakken (22,3%) en een andere groep geeft aan dat ze nog bezig zijn met het herstel en/of er geen energie voor te hebben (19%).

 

Enkele uitspraken

Er zou een invulformulier (of op de site van het ziekenhuis) met een mogelijkheid tot klagen, zodat de stap om het te doen niet zo groot zou zijn.”

De stap is meestal erg groot, de procedures lang en dat ontmoedigt om iets te gaan doen.”

Ik heb geen officiële klacht ingediend om dat ik dan na 5 jaar nog met mijn heup en aanverwante zaken bezig zou zijn geweest. Ik wilde herstellen de ontstane financiële ellende oplossen en verder gaan.”

De mate waarin je psychisch aangeslagen raakt door de behandeling en de duur van het proces, dat is met geen pen te beschrijven maar daar is geen enkele erkenning laat staan schadevergoeding voor. Het heeft me 10 jaar van mijn leven gekost en nog blijf ik beschadigd/gehandicapt achter.”

Tuchtcommissie moet op de schop die moet onafhankelijk worden met meer macht op sancties een rechtbank net zoals in het leger met sancties en rechtspraak.”

mijn broer wilde zijn vrouw en mij een lange procedure besparen omdat dit heel veel energie en tijd zou gaan kosten.”

 

Waar is een klacht ingediend (meerdere antw. mogelijk)

Aantal melders (percentage)

De zorginstelling/ziekenhuis

164 (38,1%)

De klachtencommissie

150 (34,8%)

De directie van de zorginstelling/ziekenhuis

109 (25,3%)

De klachtenfunctionaris/vertrouwenspersoon

96 (22,3%)

De hulpverlener zelf

93 (21,6%)

Anders, namelijk

87 (20,2%)

Het tuchtcollege

51 (11,8%)

De Inspectie voor de Gezondheidszorg

43 (10,0%)

De civiele rechter (aansprakelijkheidstelling voor de financiële schade)

28 (6,5%)

De Geschillencommissie Zorginstellingen

16 (3,7%)

De politie (Strafrechter)

13 (3,0%)

 

Een echt oordeel over de verschillende instanties is moeilijk te geven, omdat het te weinig oordelen betreft.

 

De klachtenfunctionaris

Van 12 (12,5%) van de respondenten die een klacht hebben ingediend bij de klachtenfunctionaris is onduidelijk of de procedure is afgerond. Hierdoor blijven 84 respondenten over die een oordeel kunnen geven over de klachtenfunctionaris (bij 25 respondenten is de procedure nog niet afgerond).

 

Ook vond 47,6% de klachtenfunctionaris (zeer) partijdig. 29,8% vond de klachtenfunctionaris neutraal. De overige respondenten vond de klachtenfunctionaris (zeer) onpartijdig. Het verloop van de procedure wordt door de meeste respondenten met een laag cijfer beoordeeld: 71,4% (n=60) gaf de procedure een 5 of lager. De belangrijkste redenen waar tijdens de procedure tegenaan wordt gelopen zijn de traagheid van het proces (42,9%), de ongelijke positie ten opzichte van de arts (41,7%) en onduidelijkheid van de procedure (38,1%).

 

Enkele uitspraken over de klachtenfunctionaris

ze zijn in dienst van het ziekenhuis, hoe onpartijdig ben je dan?”

ze vroeg mij namens de artsen om mijn klacht bij het tuchtcollege in te trekken. ik had een half jaar of langer niets van de artsen gehoord, totdat ze een bericht kregen dat ik ze had aangeklaagd. toen werd ik ineens uitgenodigd`.”

In de tijd dat mijn klacht liep was er een disfunctionerende klachtenfunctionaris die bewijs stukken zoek maakte. Die is ontslagen, maar mijn dossier bleef incompleet. Daarna kreeg ik nog met 3 anderen te maken.”

Veel slechter kon het niet, alleen door de kleine schikking kan ik nu een cursus volgen en daarom geef ik een 2 en geen 1.”

de klachten mevrouw was vriendelijk, maar verder wordt alles zo stroef mogelijk behandeld en niet goed doorverwezen.”

Het zou een goed iets zijn als er na het indienen van een klacht direct wordt overgegaan tot het verwijzen naar een jurist, gespecialiseerd op dit gebied.”

het is als een woekerpolis, ik voel me bedonderd waar ik bij sta. Mooie folders zeggen uiteindelijk niets.”

 

De Klachtencommissie

Van de 150 respondenten die een klacht bij de klachtencommissie hebben ingediend, is van 11% (n=16) onduidelijk wat de status van de procedure is. Hierdoor blijven 134 respondenten over die een oordeel kunnen geven over de klachtencommissie (bij 39 respondenten (26%) is de procedure nog niet afgerond.

 

47,8% vond de klachtencommissie (zeer) partijdig en 22,4% vond deze neutraal. Ook over de procedure was het merendeel van de respondenten niet positief. 78,4% geeft de procedure een onvoldoende (5 of lager). Belangrijkste redenen waren ook hier de traagheid van het proces (48,5%), de ongelijke positie ten opzichte van de arts (42,5%) en de complexiteit om het gelijk aan te tonen (40,3%).

 

Enkele uitspraken over de klachtencommissie

De klachtencommissie heeft geen oor voor de patiënt, stelt de verkeerde vragen aan hun deskundigen, laat de orthopeed wegkomen met :"Ik heb mijn best gedaan".”

klachtencommissie ziekenhuizen vechten voor de arts, zeker niet voor de patiënt is mijn ervaring.”

Ja dit is gebeurd in 2009 en ben nu nog bezig en ik vind het vaag dat het allemaal zo lang duurt en je weet ook niet precies waar je soms moet beginnen.”

In de medische wereld heb je geen schijn van kans als leek. Vooral wanneer je er tot op dat moment nog nooit mee te maken hebt gehad. Ze pakken je van alle kanten in.”

 

Ook over de klachtafhandeling door de zorginstelling waar de fout is gemaakt zijn mensen ontevreden. 60% heeft het gevoel dat de klacht niet serieus is genomen. Ruim 80% geeft het verloop van de procedure dan ook een 5 of lager. Deze zelfde cijfers komen terug als gevraagd wordt naar de procedure rondom het indienen van een klacht bij de directie van een ziekenhuis; 58% vindt dat de klacht niet serieus is genomen en ruim 81% geeft een 5 of lager. De belangrijkste problemen die gedupeerden tijdens deze procedures tegenkwamen zijn: De ongelijke positie ten opzichte van de arts, de traagheid van het proces, te weinig respect krijgen en het onbegrip vanuit de zorginstelling.

 

Gevolgen van de fout

Naast de gevolgen voor de gezondheid, hebben we de melders ook gevraagd de schade die door de medische fout is ontstaan uit te drukken in geld (misgelopen inkomsten, kosten voor extra zorg en emotionele schade). Ruim de helft van de respondenten gaf aan dit niet te kunnen. De overige melders geven aan dat dit meer is dan €100.000,- (8,6%), tussen de €25.000 en €100.000 (10,2%), tussen de €5.000 en €25.000 (14,7%) en minder dan €5000,- (10%)

 

 

 

 

Kortom, gezien het aantal meldingen en de aard van veel meldingen, gaat er nog genoeg mis in de Nederlandse gezondheidszorg. Tot op zekere hoogte is dat verklaarbaar en ook onvermijdelijk. Maar dat vervolgens niet gezorgd wordt voor opvang, begrip en duidelijkheid voor de patiënt of diens nabestaanden over wat er fout is gegaan, is onbegrijpelijk.

 

Het werkt niet maar het helpt wel??

HOMEOPATHIE: GELOOF OF WETENSCHAP?

Homeopathie is in strijd met onze huidige wetenschappelijke en medische kennis, en bezwijkt onder de contradicties en ongerijmdheden. Een artikel uit het wetenschappelijke maandblad EOS.

 

Het homeopathisch discours klinkt aantrekkelijk in z’n eenvoud. De homeopathie bestrijdt het gelijke met het gelijke, en tracht zo het zelfgenezende vermogen van het lichaam te stimuleren. Bovendien besteedt ze aandacht aan ‘het individu in z’n totaliteit’. Reken daarbij dat homeopathische middelen bekend staan om hun onschadelijkheid, en je begrijpt waarom zovelen vallen voor de charme van deze alternatieve geneeskunde. Maar schijn bedriegt. Als we de principes en de bijbel der homeopathie onder de loep nemen, dan blijkt dat ze weinig of niets met wetenschap te maken hebben. Integendeel, deze zogenaamde geneeskunde is in strijd met onze huidige wetenschappelijke en medische kennis, en bezwijkt onder de contradicties en ongerijmdheden. Homeopathie kan soms helpen, maar meer dan een Lourdes-effect hoeven we er niet achter te zoeken. Eveneens opmerkelijk is dat heel wat homeopathische middelen die zonder recept verkrijgbaar zijn, in wezen niets met homeopathie te maken hebben. Het adagium ‘baat het niet, het schaadt ook niet’ gaat dus zeker niet altijd op.

De homeopathie is terug van weggeweest. Sinds de opkomst van New Age en ander mystiek gedachtengoed in de jaren zestig zit ze weer in de lift, samen met vele andere alternatieve geneeswijzen. Volgens een peiling die door de vakvereniging van de Franse homeopathische industrie werd uitgevoerd, zou tegenwoordig zo’n dertig procent van de Europeanen een beroep doen op homeopathie. Het zit de homeopaten dan ook hoog dat ze niet door de academische of reguliere geneeskunde erkend worden. Ze vinden dat er aan de efficiëntie van hun therapie niet langer te twijfelen valt, en eisen hun plaats op in de medische sector. Maar skeptici en wetenschappers zijn niet onder de indruk. Homeopathie is een - weliswaar in een pseudo-wetenschappelijk kleedje verhulde - vorm van kwakzalverij, zo luidt hun oordeel. Geen geringe beschuldiging, wat meteen ook de soms hoogoplaaiende discussies tussen voor- en tegenstanders verklaart. Opvallend daarbij is dat de hele controverse zich over de hoofden van het publiek afspeelt. Zowel de beginselen van de homeopathie als de door skeptici geopperde bezwaren zijn amper bekend. Dat menig consument van zogezegd homeopathische middelen niet weet dat vele daarvan niet echt homeopathisch zijn, spreekt boekdelen. Ze hebben de reputatie om natuurlijk en onschadelijk te zijn, en als verkoopsargument lijkt dat te volstaan. Homeopaten oogsten ook bijval met argumenten die meer met demagogie dan met wetenschap te maken hebben. Zo spelen ze graag de rol van Robin Hood die het volk in bescherming neemt tegen de dictatuur van de academische geneeskunde en de ‘kapitalistische’ farmaceutische industrie. Door dit soort argumenten verliezen mensen wel eens uit het oog dat er achter het natuur- en mensvriendelijk imago van de homeopathie een theorie schuilt die even incoherent als ongefundeerd is.

Het similia-principe

De homeopathie zweert bij het principe ‘het gelijke genezen door het gelijke’. Ze wil met andere woorden de zieke genezen met een stof waarvan de effecten bij een gezond iemand lijken op de symptomen van de zieke. Een verkouden patiënt bijvoorbeeld heeft tranende ogen en een lopende neus, symptomen die ook door een ui worden veroorzaakt. Een homeopaat zal in dit geval ui in verdunde vorm toedienen. Want, redeneert hij, doordat een ui dezelfde symptomen opwekt, zal een verdund uienpreparaat het afweersysteem van het lichaam op gepaste wijze stimuleren. Vanuit diezelfde logica zal hij tegen misselijkheid een verdunning voorschrijven van een stof die braakneigingen veroorzaakt.

Het gelijke genezen door het gelijke, het is zowaar het ei van Columbus. Des te meer omdat we deze techniek tegen alles en nog wat zouden kunnen inzetten: allergieën, infecties, migraine, diarree, wratten, psychische stoornissen, enz. Dit opmerkelijk inzicht hebben we te danken aan de Duitse arts Samuel Hahnemann (1755-1843), grondlegger der homeopathie. Hahnemann had - terecht overigens - heel wat kritiek op de geneeskunde van z’n tijd, die vooral bestond uit aderlatingen, braak- en laxeermiddelen, darmspoelingen, enz. Op zoek naar efficiëntere en minder drastische middelen begon Hahnemann zelf diverse substanties uit te testen. In een van z'n vroege experimenten nam hij kinine in, dat toen al bekend stond als remedie tegen malaria. Hahnemann kreeg naar eigen zeggen koorts, een symptoom dat ook typisch is voor malaria. Dat kon geen toeval zijn. Als kinine een werkzaam middel is tegen malaria, redeneerde Hahnemann, dan moet dat iets te maken hebben met het feit dat kinine dezelfde symptomen als malaria veroorzaakt. Het homeopathisch similia-principe was geboren.

Het valt moeilijk te geloven dat homeopaten deze achterhaalde ‘aha-erlebnis’ van Hahnemann nu nog als een wetenschappelijke ontdekking naar voren durven schuiven. Hahnemann had er geen flauw idee van dat malaria veroorzaakt werd door een parasiet in het bloed. Daarenboven legde hij weinig kritisch vermogen aan de dag tegenover z’n bevindingen en conclusies. Z’n observaties omtrent kinine gaan in tegen alles wat we nu over de werking van deze stof weten. Kinine lokt geen koorts uit, maar bestrijdt die juist. Geen wonder dat een aantal artsen die destijds de proef op de som namen, na inname van kinine geen koorts konden waarnemen. Hahnemanns koortsaanvallen waren dus wellicht te wijten aan een overgevoeligheid voor de stof in kwestie. Zo'n afwijkende reactie op een geneesmiddel is niet uitzonderlijk en wordt 'idiosyncrasie' genoemd. Afgezien van deze idiosyncrasie, deugde ook Hahnemanns redenering niet. Zelfs indien kinine koorts veroorzaakte, zou daaruit niet noodzakelijk volgen dat de werkzaamheid van kinine bij malaria op het veroorzaken van koorts berust. En indien dat bij een bepaalde ziekte wel zo was, dan zou dat geen reden zijn om het werkingsprincipe tot een universele wet te verheffen. En dat was nu precies wat Hahnemann deed. Hij nam de geneeskundige literatuur door, selecteerde daaruit de genezingen die in z'n schema pasten, en verklaarde het similia-beginsel geldig voor alle ziekten, zonder uitzondering.

Het homeopathisch similia-principe kwam ter wereld als een dogma en is dat sindsdien gebleven. Tweehonderd jaar na datum is er nog altijd niet één overtuigend argument dat het similia-principe aannemelijk kan maken, laat staan bewijzen. Integendeel, sinds de ontwikkeling van de biochemie en de fysiologie staat het principe erbij als een anachronisme, een restant uit een verleden dat werd gekenmerkt door een gebrek aan medische kennis en - vooral in Duitsland - een voorliefde voor het metafysische. Hahnemann was een aanhanger van het destijds populaire ‘vitalisme’, wat verklaart waarom hij het zelfgenezend vermogen van het lichaam als een spirituele, niet-materiële levenskracht beschouwde. Het vitalisme prijkt inmiddels in het historisch museum der wijsbegeerte. En van onze huidige kennis van het immuunsysteem is er niets dat het similia-principe ook maar de minste steun verschaft.

Het similia-beginsel staat haaks op alles wat we nu weten. Eerst en vooral is het strijdig met talloze behandelingen waarvan het werkingsprincipe en de efficiëntie onloochenbaar zijn. De remedie tegen scheurbuik bijvoorbeeld is niet 'meer' scheurbuik, maar vitamine C. Iemand die aan diabetes (suikerziekte) lijdt, moet je geen suiker maar insuline toedienen. En van antibiotica zal niemand durven beweren dat ze bij een gezond persoon dezelfde symptomen opwekken als de ziekten die ze genezen.

Ter verdediging van hun aanpak wijzen homeopaten op de overeenkomst met vaccinatie. Ook bij vaccinatie wordt immers het gelijke met het gelijke bestreden, en worden kleine doses aangewend om het afweersysteem te stimuleren. Deze vergelijking gaat evenwel voorbij aan enkele fundamentele verschillen. In de homeopathie worden doorgaans niet de ziekteverwekkers zelf toegediend, maar wel stoffen waarvan wordt verondersteld dat ze gelijkaardige symptomen opwekken. Zelfs de zogenaamde biotherapeutica, de producten die worden gemaakt van pathologische uitscheidingen uit zweren of lichaamsopeningen, hebben vaak niets te maken met de ziekte waartegen ze gebruikt worden. Psorinum bijvoorbeeld bevat extracten uit de huidblaasjes van een patiënt met schurft. Dit homeopathische middel moet diverse huidaandoeningen uit de wereld helpen, zoals eczeem, psoriasis, acne, enz., terwijl deze niet dezelfde oorzaken hebben als schurft.

We mogen evenmin vergeten dat de hoeveelheid actieve ingrediënten in een vaccin veel groter is dan bij homeopathische middelen, en bovendien meetbaar is. Net zoals ook de door het afweersysteem geproduceerde anti-stoffen in het bloed voor meting vatbaar zijn (vaccins behandelen overigens geen ziekte maar moeten weken op voorhand als preventie worden toegediend). Homeopathische middelen daarentegen bevatten door de extreme verdunningen geen actieve ingrediënten. Daarenboven kan er geen specifieke lichamelijke reactie op het middel worden waargenomen. Gegeven het eerste, kan het tweede niet echt verwonderen.

Het similia-principe getuigt ook in andere opzichten van een verbijsterend simplisme. Een werkingsprincipe dat voor bepaalde ziekten geldt, kan, zoals al gezegd, niet zomaar op de meest uiteenlopende ziekten worden toegepast. Ziekten hebben specifieke oorzaken, en vragen bijgevolg specifieke behandelingen. Wat dit betreft staat de homeopathie mijlenver van de wetenschappelijke geneeskunde. Die probeert een diagnose te stellen, vertrekkend van symptomen, tekens en testresulaten. Lijsten van gekende ziekten kunnen we vinden in medische handboeken en internationaal erkende classificatiesystemen zoals de ‘International Classification of Diseases’. Op basis van de diagnose opteert de klassieke geneeskunde voor een bepaalde behandeling, en wordt er een prognose gevormd.

Zo niet de homeopathie. Zij kent geen ziekten en slaat de diagnose helemaal over. De ondervraging van de patiënt levert een reeks kenmerken en symptomen op, op basis waarvan vervolgens een remedie wordt gekozen, met name een middel dat dezelfde reeks symptomen veroorzaakt. De homeopathie is dus volledig gericht op de remedie: bij elke reeks klachten hoort een drankje of een pilletje. Om welke ziekte het gaat blijkt hier onbelangrijk te zijn. Bovendien trekt de homeopathie zich niets aan van anatomie, fysiologie of biochemie. De echte ‘klassieke’ homeopaat hoeft de patiënt zelfs niet eens lichamelijk te onderzoeken, afgezien van het bekijken van tong, vingernagels en huid. Het enige wat hij moet kunnen, is de patiënt ondervragen volgens de regels van de kunst. Daarbij wordt vaak aandacht besteed aan kenmerken die in de normale geneeskunde als irrelevant worden beschouwd (zie kadertekst ‘De bijbel van de homeopathie’). Anderzijds worden symptomen die in de normale geneeskunde belangrijk zijn, totaal over het hoofd gezien. Niet minder opmerkelijk is dat er vele, vaak tegenstrijdige systemen bestaan om de remedie te kiezen. Dat er evenveel homeopathieën als homeopaten bestaan, is geen loze boutade.

De eend van 20 miljoen dollar

In navolging van Hahnemanns 'Wet van de infinitesimalen' gaan homeopaten ervan uit dat een stof meer geneeskracht heeft naarmate de dosis ervan kleiner is. Want een normale dosis, leggen ze uit, zou de symptomen erger maken. Een sterk verdund middel daarentegen verschaft een minimale prikkel die de reactie van het lichaam tegen de ziekte stimuleert. Het discours oogt aantrekkelijk, zolang je er niet bij stilstaat. Eerst en vooral druist het axioma ‘hoe dunner, hoe krachtiger’ in tegen wat het gezond verstand en de farmacologie ons vertellen. Wat het homeopathische middel voor de nuchtere geest echter helemaal onverteerbaar maakt, is dat het van de werkzame stof doorgaans geen enkele molecule meer bevat.

Het verdunningsprocédé gaat namelijk als volgt. Als de actieve stof oplosbaar is, wordt 1 ml van die stof verdund met negen of negenennegentig ml gedistilleerd water en/of alcohol (als de stof onoplosbaar is, wordt ze verdund met melksuiker). Deze oplossing wordt krachtig en langdurig geschud. Vervolgens wordt een deel ervan opnieuw volgens dezelfde verhouding verdund en geschud. Dit proces herhaalt zich tot de gewenste concentratie is bereikt. Verdunningen van één op tien worden aangeduid met D (decimaal) of het Romeinse cijfer X (X= 1/10, 3X = 1/1000, enz.). Het Romeinse cijfer C wijst op een verhouding van één op honderd (1C = 1/100, 3C = 1/1000 000, enz.). De huidige homeopathische verdunningen liggen meestal tussen 6X (1/1000 000) en 30X (1/1000 000 000 000 000 000 000 000 000 000), ofschoon ook producten van 30 C (een getal met zestig nullen na de komma) courant zijn.

Dit soort verdunningen tart niet alleen de verbeelding, maar ook de wetten der scheikunde. Aangezien een molecule de kleinste ondeelbare hoeveelheid van een werkzame substantie is, bestaat er een limiet aan de verdunning. Deze limiet wordt aangegeven door het getal van Avogrado (6,023 x 10 23). Volgens de wet van Avogrado bevat een mol van elke chemische verbinding evenveel moleculen, namelijk 6, 023 x 1023 (een mol water bijvoorbeeld weegt 18 gram). Het getal van Avogrado komt overeen met een homeopathische verdunning van 12C of 24X. Voorbij deze limiet wordt de kans dat er nog een werkzame molecule aanwezig is uiterst klein. Scheikundig gezien is een verdunning van 30 X dus zinloos. En met een verdunning van 30C doorbreek je zelfs de grenzen van het surrealisme: als je een molecule van een stof volgens deze verhouding in een enkele stap wil oplossen in water, dan heb je 10 60 moleculen water nodig. Dat zou een container vergen die meer dan 30 miljard keer de omvang van de aarde heeft.

Dat weerhoudt homeopaten er niet van om bij verkoudheid en griepachtige symptomen 'Oscillococcinum' te adviseren, een 200 C oplossing waarvan het 'actieve ingrediënt' wordt bereid uit de lever en het hart van een eend. Als je 1 molecule van deze stof volgens een verhouding van 200 C wil oplossen, heb je 10 400 moleculen van het oplosmiddel nodig. Een waarschuwing voor doe-het-zelvers is misschien niet overbodig: het heelal bevat maar 10 100 moleculen. Een bedreiging voor de eendenpopulatie vormt het preparaat alvast niet. Vorig jaar werd in het Amerikaanse tijdschrift 'U.S. News and World Report' opgemerkt dat slechts 1 eend nodig is om een middel te produceren dat in 1996 een verkoopcijfer van twintig miljoen dollar haalde. Het tijdschrift riep het ongelukkige dier uit tot 'de eend van twintig miljoen dollar'.

Kritici mogen zich over de extreme verdunningen dan al eindeloos vrolijk maken, voor de homeopaten is er geen vuiltje aan de lucht. Ze geven volmondig toe dat de extreme verdunningen geen moleculen van de werkzame stof meer bevatten. Maar, zo repliceren ze, door het potentiëren - het krachtig schudden - wordt de (voormalige) aanwezigheid van de molecule in het ‘geheugen’ van het water (of de alcohol) geprent. De molecule is weg, maar laat een ‘afdruk’ of ‘herinnering’ in de vloeistof achter. Deze informatieoverdracht zou zich niet op scheikundig, maar op fysisch niveau situeren. Een beetje zoals bij computersoftware, lichten de homeopaten hun hypothese met de zoveelste analogie toe. Meer dan een aardige metafoor levert dat helaas niet op.

Wat we onder het geheugen van water moeten verstaan, blijft vanuit natuurkundig opzicht volstrekt onduidelijk. Sterker, de wetten van de fysica en de scheikunde suggereren dat zo’n informatieoverdracht onmogelijk is. Bovendien roept de hypothese heel wat vragen op. Hoe verklaren we bijvoorbeeld dat de informatie van het oplosmiddel overgaat op het homeopathisch melksuikerkorreltje, wetende dat dit oplosmiddel - dat al geen enkele werkzame molecule meer bevat - verdampt? En hoe kan ons lichaam deze informatie registreren? Farmacologen liggen er in elk geval niet wakker van. Wat hen betreft valt de homeopathische verdunning niet te onderscheiden van water (of alcohol) waar helemaal niets heeft ingezeten.

De homeopathische hypothese van informatieoverdracht heeft voorlopig geen been om op te staan. Maar er wordt aan gewerkt. In ‘The American Journal of Homeopathy’ en andere gelijkgestemde bladen wordt de lezer geregeld op de hoogte gebracht van grensverleggend onderzoek dat de geheugentheorie enige geloofwaardigheid moet verlenen. Onderzoek waarin geen denkpiste onbenut wordt gelaten, en waarin kwistig wordt omgesprongen met termen zoals ‘coherente vibratie’ en ‘bio-electromagnetische straling’, als de quantummechanica of de chaostheorie er al niet worden bijgesleurd. De vooraanstaande Amerikaanse homeopaat Wayne Jonas heeft (samen met co-auteur Jennifer Jacobs) een en ander samengevat in z’n recente boek ‘Healing with Homeopathy’ (1996).

Wat Jonas’ bespiegelingen in de frontlinie van de wetenschap waard zijn, kan alleen een natuurkundige beoordelen. Fysicus Robert L. Park, hoogleraar aan de Universiteit van Maryland en lid van de ‘American Physical Society’, vindt het in elk geval maar borrelpraat. Wat de hypotheses over de zogezegde bijzondere structuur van het oplosmiddel betreft, schrijft hij: ‘Ik kon niet het minste bewijsmateriaal vinden voor deze speculaties, en er zijn overtuigende wetenschappelijke argumenten om elk ervan te verwerpen.’ (Skeptical Inquirer, september 1997).

Park staat niet alleen met z’n oordeel. Het springt in het oog dat de homeopathische bladen en de daarin gepubliceerde studies door niemand - behalve door de homeopaten en hun sympatisanten - ernstig worden genomen. En dat is opmerkelijk. Waarom, opperen de skeptici, komen die studies niet aan bod in gezaghebbende wetenschappelijke vakbladen? Een wetenschappelijk bewijs van het geheugen van water zou niets minder dan een revolutie zijn, minstens een Nobelprijs waard. De laatste keer dat we dat mochten meemaken was in ‘de zaak Benveniste’. In 1988 slaagde de Franse onderzoeker Jacques Benveniste erin om z’n voor de geheugentheorie pleitende bevindingen in het gerenommeerde tijdschrift ‘Nature’ te publiceren. Een bijdrage die heel wat stof deed opwaaien, en waarmee hij meteen alle krantenkoppen haalde. Op z’n studie viel echter heel wat af te dingen, en toen anderen z’n experimenten herhaalden kwamen ze niet tot dezelfde resultaten. Hun water bleek heel wat dommer te zijn. Benveniste mocht inbinden, en werd uiteindelijk door de hoofdredacteur van ‘Nature’ als een onbetrouwbaar wetenschapper bestempeld.
Geen raadsel, maar een mirakel

Homeopaten hebben er niettemin het volste vertrouwen in dat de wetenschappers in de toekomst de werking van het homeopathisch geheugen zullen achterhalen. En ook dat is opmerkelijk, want de geheugentheorie is niet alleen vanuit natuurkundig perspectief weinig plausibel. Ze getuigt namelijk van een logica die zo bizar is dat ze om een reductio ad absurdum smeekt. Zo vestigen skeptici er de aandacht op dat het als oplosmiddel dienst doende water voordien met talloze stoffen in aanraking is gekomen en vaak aan schuddende bewegingen onderhevig is geweest. Als de homeopaten het bij het rechte eind hebben, moeten al deze stoffen in het water een inprenting - en dus ook geneeskracht - hebben achtergelaten. Met andere woorden, het water - ook ons kraantjeswater - zit boordevol herinneringen en moet zowat alles kunnen genezen.

Verder lijkt ook de bereiding een hopeloze onderneming. Tijdens het verdunningsproces komen zelfs onder de meest schone en hygiënische omstandigheden vreemde moleculen in de verdunning terecht. Ook deze worden dus ‘gedynamiseerd’, en moeten volgens de homeopathische logica ontelbare krachten achterlaten. En dan hebben we het nog niet over de talrijke moleculen die als onvermijdelijke onzuiverheden in het eindproduct blijven hangen. Je vraagt je af waarom we van de homeopathische verdunning of ons kraantjeswater niet alle kleuren van de regenboog uitslaan.

Homeopaten argumenteren wel eens dat de effecten van de stoffen waarmee het water in contact is gekomen elkaar neutraliseren, en dat alleen de uitverkoren stof zich in het geheugen van het water grift. Hoe dat in z’n werk gaat, en of er daar enige aanwijzing voor bestaat, is de zoveelste vraag waarop in de verste verte geen zinnig antwoord te bekennen valt. Skeptici vinden de ‘selectieve’ dynamisering dan ook geen raadsel meer, maar een mirakel. De Amerikaanse arts Stan Polanski lucht z’n verbijstering als volgt: ‘Hoe komt het dat duizenden chemische verbindingen weten dat ze zich gedeisd moeten houden en gewoon toekijken terwijl die ene potente stof tot Genezer wordt gezalfd? Dat dit scenario zou kunnen leiden tot verschillende producten die geschikt zijn om bepaalde ziekten te genezen is meer dan onwaarschijnlijk.’

Ook Willem Betz, hoogleraar Huisartsengeneeskunde aan de Vrije Universiteit Brussel, wrijft zich bij deze gedachtenkronkel de ogen uit. ‘Als men geloof hecht aan de theoretische uitgangspunten van de homeopathie,’ merkt hij op, ‘dan heeft dat enkele drastische gevolgen voor de volksgezondheid. Want vormt deze industrietak dan geen potentieel gevaar voor het milieu? Tonnen water waarmee ze hun ketels spoelen worden door homeopathische fabrieken in de rivieren geloosd. Sterk verdund water en alcohol komen zo misschien in de natuur terecht. Je kan je de vraag stellen in hoeverre een gewone waterzuivering het geheugen van het water kan wegfilteren. Dit houdt een potentieel gevaar in voor de volksgezondheid. Kan de homeopathische industrie garanderen dat de substanties die in het milieu terecht komen voldoende gedeactiveerd zijn? Kunnen zij een onderscheid maken tussen geactiveerde en geïnactiveerde substanties?’ Neen dus. Maar een kniesoor die daar om maalt.

Ook in andere vlakken is coherentie voor homeopaten geen prioriteit. Zo laten ze zich voorstaan op het feit dat hun middelen niet de minste bijwerking hebben en dus absoluut onschadelijk zijn. Bijgevolg zouden we normaliter een heel assortiment aan homeopathische verdunningen mogen consumeren. Maar dat is dan weer een teveel aan logica, want homeopaten waarschuwen er ons tegelijkertijd voor dat het mengen van verschillende producten gevaarlijk is. Waarom dat zo is, en wat nu precies de risico’s zijn, is een vraag die tot nu toe geen bevredigend antwoord heeft gekregen. Helemaal ten hemel schreiend wordt het als je constateert dat de homeopathische industrie aan deze richtlijnen geen boodschap heeft. Zij brengt zonder verpinken complexe middelen op de markt waar veel verschillende stoffen in zitten. Begrijpe wie het kan.

Het werkt niet maar het helpt.

Aan contradicties geen gebrek in de homeopathie. Homeopaten beroemen er zich op dat ze geen ziekten, maar zieken behandelen. Elk individu is verschillend, zeggen ze, en bijgevolg vraagt elk individu een andere behandeling. Als de zaak zo in elkaar zit, vraag je je af, hoe kun je dan op basis van individuele gevallen ooit iets bijleren? Hoe kun je verworven inzichten ooit toepassen op de volgende patiënt? Het zal de homeopathische industrie een zorg wezen. Zij trekt zich niets aan van de verkondigde leer en verkoopt massa’s producten tegen specifieke ziekten.

Vooraleer ons de hersenen te pijnigen over de talrijke vierkante cirkels in de homeopathie, lijkt het raadzaam ons af te vragen of deze zogenaamde geneeskunde wel een therapeutisch effect heeft. ‘Uit ervaring weten we dat het werkt’, beweren de homeopaten zelfverzekerd, daarin bijgetreden door een behoorlijk deel van hun patienten. Met name zo’n 56 tot 61 % verklaart zich volgens een in 1995 uitgevoerde Nederlandse peiling tevreden over de homeopathische behandeling. Voor de klassieke behandeling was dat 69 %. Als dit argument te berde komt, zijn de spectaculaire anekdotes niet uit de lucht. In de stijl van: ‘De klassieke geneeskunde had de patiënt allang opgegeven, maar dankzij de homeopathie staat hij of zij weer te tennissen.’ Het hoeft geen betoog dat zo’n anekdotische bewijsvoering op velen indruk maakt. Nochtans heeft ze weinig wetenschappelijke waarde, en dit om diverse redenen. Alleen al het feit dat ook handopleggers, gebedsgenezers, duiveluitdrijvers, enz., ermee komen aanzetten, doet enige argwaan rijzen. Hoe krankzinnig een therapie ook is, diegene die ze toepast ‘weet’ altijd uit ervaring dat ze werkt.

De geschiedenis van de geneeskunde is in dit opzicht even leerzaam. In de achttiende en negentiende eeuw deden artsen vaak een beroep op aderlaten, een techniek die tenslotte werd verfijnd door het gebruik van bloedzuigers. In het jaar 1824 alleen al werden in Frankrijk 33 miljoen bloedzuigers geïmporteerd. Hadden artsen het destijds met hun aderlatingen en andere voor ons zonderlinge praktijken slecht met hun patiënten voor? Neen, ze hadden gewoon de indruk dat ze goede resultaten behaalden. Niet-gecontroleerde klinische ervaring is bedrieglijk. Alleen gecontroleerd onderzoek van een groot aantal proefpersonen kan uitmaken of een therapie al dan niet werkzaam is (in een gecontroleerd onderzoek wordt de groep van behandelde patiënten vergeleken met een controle-groep, die geen behandeling of een placebo krijgt).

Dat ongecontroleerde klinische ervaring tot verkeerde conclusies kan leiden, is aan heel wat factoren te wijten. Eerst en vooral geneest de overgrote meerderheid van frequent voorkomende ziekten vanzelf (meer dan 80 % van de patiënten die zich bij de arts aanmelden lijden aan een ziekte die spontaan geneest). Het gevaar bestaat dus dat een arts een genezing aan z’n therapie toeschrijft, terwijl de patiënt ook zonder z’n tussenkomst zou zijn genezen. Ook bij ziekten die een cyclisch verloop hebben, zoals artritis, multiple sclerose en allergieën, komt vaak een tijdelijke verbetering voor.

En dan zijn er nog de uitzonderingen op de algemene regel. Ziekten die normaal niet genezen, kunnen in sporadische gevallen vanzelf verdwijnen. Ook wanneer klassieke en alternatieve therapieën worden gecombineerd, valt moeilijk te zeggen waaraan de verbetering te danken is. Als de patient daarenboven - zoals vaak gebeurt - van de combinatie geen weet heeft, is algauw een bekeerling geboren: de alternatieve therapie heeft hem er immers weer bovenop geholpen. Een andere mogelijkheid is dat er een verkeerde diagnose werd gesteld, en dat de patiënt geneest van een ziekte die hij nooit gehad heeft.

Een van de belangrijkste struikelblokken in de evaluatie van een geneesmiddel is het alombekende placebo-effect. Dit effect is niet het gevolg van de farmacologische werking van het middel, maar wel van de verwachtingen die de patiënt ten aanzien van het middel koestert. Wat niet wil zeggen dat het hier alleen om inbeelding gaat. Soms gaan de door verwachtingen gecreëerde subjectieve gewaarwordingen gepaard met objectieve veranderingen in de lichamelijke conditie. Als je bijvoorbeeld aan mensen met een te hoge bloeddruk een (zogenaamd bloeddrukverlagend) placebo geeft, dan zal hun bloeddruk in vele gevallen verlagen. De implicaties van het placebo-effect liggen voor de hand. Bij evaluatie van een geneesmiddel dien je de resultaten van de behandelde groep te vergelijken met die van een placebo-groep, die dus een middel krijgt waar eigenlijk ‘niets’ in zit. Aangezien ook de onderzoeker beïnvloed kan worden door (al of niet bewuste) vooroordelen dient de test ‘dubbelblind’ te gebeuren. Noch de onderzoeker, noch de proefpersonen mogen bij aanvang weten wie het echte, en wie het nepmiddel krijgt.


Het placebo-effect komt neer op het bekende adagium ‘geloof doet wonderen’. Dat dit geloof door de homeopathische aanpak wordt aangewakkerd is niet ondenkbaar. Een consult bij de homeopaat duurt doorgaans veel langer dan een bezoek aan een regulier huisarts (volgens een Nederlands onderzoek onder chronische patiënten zou een homeopathisch consult gemiddeld 35 minuten en een gewoon consult slechts 15 minuten duren). De homeopaat informeert naar allerlei zaken - bijvoorbeeld of de patiënt bang is voor honden, van wat hij droomt, enz. - die bij de reguliere arts niet aan bod komen, tenzij ze relevant zijn voor de klachten in kwestie. Door de zeer uitvoerige ondervraging krijgt de patiënt de indruk dat het voorgeschreven middel niet alleen op z’n symptomen, maar op z’n hele persoon is afgesteld. Dat schept hoop en verwachtingen.

Reken daarbij dat lichamelijke symptomen vaak psychosomatisch van aard zijn. Deze symptomen vloeien voort uit psychosociale problemen, en kunnen bijgevolg worden verzacht of genezen door een behandeling die het psychisch ongenoegen vermindert. Psychosomatische patiënten hebben er vaak belang bij om niet alleen zichzelf, maar ook anderen te doen geloven dat ze lichamelijk ziek zijn.

Als ze van de klassieke arts te horen krijgen dat er lichamelijk niets mankeert, voelen ze zich vaak misbegrepen, ontgoocheld of - wanneer ze worden doorverwezen naar een psychiater - ronduit beledigd. De arts wordt dan algauw als incompetent beschouwd. Bij de homeopaat daarentegen krijgt de patiënt door de zeer uitgebreide ondervraging en de voorgeschreven therapie de indruk dat er werkelijk iets met hem aan de hand is. Bovendien kan hij troost putten uit de aandacht die hij krijgt, vooral omdat het subjectieve ruim aan bod komt. De homeopathische benadering van het psychosomatische heeft echter ook z’n nadelen. De patiënt wordt bevestigd in z’n ziek zijn, terwijl de psychische oorsprong van de klachten ongemoeid wordt gelaten. De impact van psychische factoren beperkt zich niet tot het terrein van de psychosomatische ziekten. Ook bij lichamelijke ziekten zal het verloop van de ziekte soms beïnvloed worden door psychische factoren zoals angst en depressie, vanwege de interactie tussen het zenuwstelsel en het immuunsysteem. En wanneer psychische factoren geen impact hebben op de lichamelijke ziekte zelf, kunnen ze nog altijd het gevoel van ziek zijn beïnvloeden. De mate waarin we pijn voelen bijvoorbeeld blijkt sterk afhankelijk te zijn van emotionele en cognitieve factoren. Een therapie die tot vermindering van angst, gevoel van controle, verschuiving van aandacht of een andere interpretatie van symptomen leidt, kan de pijn verzachten, en dus de indruk geven dat men aan de beterhand is.

Last but not least zijn er de talrijke irrationele denkmechanismen die de hedendaagse psychologie in kaart heeft gebracht. Vermeldenswaard is bijvoorbeeld de norm van wederkerigheid. Als iemand zich voor ons inzet, voelen we ons op onze beurt verplicht om die persoon een plezier te doen, en ons meegaand of toegeeflijk op te stellen. We strijken de dokter dan ook niet graag tegen de haren in met de boodschap dat z’n behandeling geen zier geholpen heeft. Ofwel maken we onszelf iets wijs om ‘cognitieve dissonantie’ te vermijden. Iemand die geloof hecht aan een alternatieve geneeswijze, verandert liever z’n oordeel over de resultaten dan z’n geloof en wereldbeeld. Als de alternatieve therapie ook nog eens veel tijd en geld heeft gekost zal deze neiging alleen maar toenemen: niemand geeft graag toe dat z’n investering nutteloos is geweest. Kortom, ook wanneer het geneesmiddel geen enkele werkzame stof bevat, kan de behandeling via talrijke psychische wegen de ziekte zelf of het gevoel van ziek zijn beïnvloeden.

Eerst geloven, en dan zien

Alleen gecontroleerde dubbelblind-studies kunnen klaarheid scheppen over de efficiëntie van homeopathie. Daar zijn wetenschappers het roerend over eens. Onder homeopaten is er minder consensus. Sommigen beweren dat zo’n onderzoek onmogelijk is vanwege de individualisering van de therapie. Veel hout snijdt dat niet, en meer dan een poging om zich aan een wetenschappelijke test te onttrekken moeten we er niet in zien. Wat er ook van zij, de ‘Unio Homeopathica’ - de Europese vereniging van homeopaten - heeft zich akkoord verklaard om in het kader van een Europese regelgeving de efficiëntie van homeopathie wetenschappelijk te testen.


In de pers lees je soms ronkende verklaringen van homeopaten die beweren dat de wetenschappelijke bewijzen van effectiviteit nu al voor het rapen liggen. De bewijzen zijn er, maar men wil ze niet zien, klagen de homeopaten steen en been. Ook in deze discussie blijken ze het vanuit hun enthousiasme moeilijk te hebben om zich aan de feiten te houden. Laten we voor alle duidelijkheid eerst opfrissen wat wetenschappers onder ‘voldoende bewijs’ verstaan. Vooreerst moet een gecontroleerd dubbelblind onderzoek aan een aantal methodologische kwaliteitseisen beantwoorden (zoals bijvoorbeeld een voldoende aantal proefpersonen). Als dat het geval is en de resultaten positief zijn, dan moeten deze resultaten vervolgens door andere, onafhankelijke onderzoekers worden gereproduceerd. In de homeopathie zijn deze voorwaarden verre van vervuld. Een in 1990 in de ‘Review of Epidemiology’ gepubliceerd artikel toont al meteen in welk bed het kindje ziek is. Het artikel biedt een meta-analyse van veertig studies die zich over de efficiëntie van een homeopathische therapie hadden gebogen. Van de veertig studies zijn er maar drie die aan de methodologische kwaliteitseisen voldoen, besluiten de auteurs, en daarvan is er maar één die een positief resultaat rapporteerde. Ze concluderen dat er geen bewijs is dat homeopathie meer effect heeft dan een placebo. Andere rapporten waren van dezelfde strekking.


Hoe reageren de homeopaten op deze conclusies? Gezien de noodzaak van rationele consensus in de wetenschap, zouden de negatieve resultaten van sommige onderzoeken hen tot nadenken moeten stemmen. Maar dat is buiten hun rotsvaste geloof gerekend. Negatieve onderzoeksresultaten worden zonder meer genegeerd, terwijl positieve resultaten tot ultiem bewijs van de homeopathie worden verklaard. Homeopaten hebben overigens een uitgesproken talent om in rapporten conclusies te lezen die er niet staan. Stokpaardje van de homeopaten is het in 1991 in de ‘British Medical Journal’ gepubliceerde artikel van de Nederlandse epidemioloog Paul Knipschild, waarin de efficiëntie van homeopathie - dixit de homeopaten - zou zijn aangetoond.


Knipschilds woorden getuigden evenwel van iets meer nuance. ‘Voor het ogenblik’, schreef hij, ‘is het bewijsmateriaal van klinische onderzoeken positief, maar niet voldoende om definitieve conclusies te trekken, omdat de meeste onderzoeken van een lage methodologische kwaliteit getuigen en de invloed van publicatie-vooroordeel niet gekend is.’ Het publicatie-vooroordeel - de neiging om alleen positieve onderzoeksresultaten te publiceren - stelt inderdaad een probleem. Doordat een statistische afwijking van meer dan 0,05 als een significant resultaat wordt beschouwd, is er een kans van één op twintig dat om het even welke test van een totaal inert product een positief resultaat zal hebben. Met andere woorden, als je maar voldoende tests uitvoert heb je er altijd wel een paar die door een toevallige statistische afwijking een gunstig plaatje tonen. Als je dan bovendien alleen deze positieve resultaten publiceert, is het einde helemaal zoek. Een eventuele oplossing voor dit probleem is een verplichte aankondiging van alle klinische studies voor ze beginnen.


Knipschild is ondertussen verdergegaan met het registreren van bijkomende studies, maar heeft nog altijd geen overtuigend bewijsmateriaal gevonden. Integendeel, in het Duitse vakblad ‘Forschende Komplementä rmedizin’ wees hij vorig jaar op het markante feit dat positieve resultaten niet worden bevestigd door onafhankelijk onderzoek. ‘Als ik de feiten op een rijtje zet,’ luidde z’n commentaar, ‘denk ik dat de resultaten van dit onderzoek door Wallach et al. elk positief effect van homeopathie voor migraine en chronische hoofpijnen, en homeopathie in het algemeen, duidelijk tegenspreken. Andere recente studies die degelijk werden uitgevoerd, zoals het GRECHO-onderzoek in Frankrijk en dat van de Lange et al. in Nederland, doen hetzelfde.’ En om af te sluiten: ’Het spijt me voor de vele mensen die vast geloven in homeopathie, maar voor mij heeft het geen enkele grond. Ik beschouw homeopathie ten hoogste als een krachtig placebo.’ Homeopaten moeten dus dringend op zoek naar een andere auteur om hun zaak te verdedigen.


Maar aan auteurs geen gebrek in de homeopathie. Ook de meta-analyse die vorig jaar in het alom gerespecteerde blad ‘The Lancet’ verscheen, wordt nu steevast als paradepaardje opgevoerd. De ironie wil dat de eerste zin van de eindconclusie door de homeopaten, en de tweede zin door de skeptici wordt aangehaald. De conclusie luidt: ‘De resultaten van onze meta-analyse zijn niet verenigbaar met de hypothese dat de klinische effecten van homeopathie volledig aan placebo te wijten zijn. Anderzijds vonden we onvoldoende bewijs dat homeopathie duidelijk werkzaam is bij enige ziekte.’ Met andere woorden, de auteurs hebben vermoedens dat homeopathie meer doet dan een placebo, en vinden dat verder onderzoek bijgevolg gerechtvaardigd is. Maar het risico bestaat dat zo’n onderzoek uiteindelijk zal aantonen dat homeopathie waardeloos is, waarschuwen ze, gezien de investering die de research zou vergen. Een verpletterend bewijs voor de homeopathie kun je dit bezwaarlijk noemen, zeker als je weet dat hier pleitbezorgers van de alternatieve geneeswijzen aan het woord zijn. Het ‘positieve’ gedeelte van hun conclusie werd dan ook al in hetzelfde nummer van ‘The Lancet’ door diverse commentatoren vanwege methodologische problemen in vraag gesteld. Dat er verder onderzoek moet worden verricht, is het enige waar de voor- en tegenstanders het over eens raken.


Wat zal de toekomst brengen? Een eerste mogelijkheid houdt in dat de werkzaamheid van het homeopathisch geneesmiddel uiteindelijk op onbetwistbare wijze wordt aangetoond. In dat geval zal de homeopathie in de standaardgeneeskunde worden opgenomen. Dat zou zowaar een godsgeschenk zijn. Efficiënte geneesmiddelen die geen enkele negatieve bijwerking vertonen, daar kan een arts alleen maar van dromen. Maar of ooit zal blijken dat de homeopathische wondermiddelen doen wat ze beweren te doen, is zeer onwaarschijnlijk. De homeopathie staat bol van de contradicties en absurditeiten, en kan na tweehonderd jaar praktijk nog steeds geen overtuigend bewijs van effectiviteit voorleggen. Dat hoeft ook niet te verbazen. Het hoofdprobleem van de homeopathie is niet eens dat ze onwaar zou zijn, maar wel dat ze geen wetenschappelijke methode hanteert. Ze baseert zich op ongecontroleerde klinische ervaring en experimenten die vanuit wetenschappelijk oogpunt waardeloos zijn. De homeopathie leeft bij gratie van dogma’s, intuïties en naïef geloof - een kenmerk dat ze met vele andere pseudo-wetenschappen deelt. Toekomstig onderzoek zal dan hoogstwaarschijnlijk ook bevestigen dat het therapeutisch effect van homeopathie niets met de farmacologische werking van het middel, maar alles met suggestie en psychotherapie te maken heeft.



Ook hier laat de toekomst zich raden. Ondanks een gebrek aan bewijzen zullen de meeste homeopaten in hun zaak blijven geloven. Dat doen ze nu immers al bijna tweehonderd jaar. Homeopaten passen zonder de minste aarzeling hun therapie toe, en hopen ondertussen dat de nodige bewijzen later zullen volgen. ‘Eerst geloven, en dan zien.’ luidt het evangelisch. Of zoals de Nederlandse skepticus E. J. Ariens ooit zei: ‘Mensen die in de homeopathie geloven hebben geen experimenten nodig - ze weten toch al dat het werkt. Je gaat toch ook niet aan de paus vragen of je een dubbelblind onderzoek mag doen naar wijwater? Wijwater helpt en daarmee uit.’



Marc Meuleman

Met dank aan Prof. dr.Willem Betz,

hoogleraar Huisartsengeneeskunde aan de Vrije Universiteit Brussel


Bovenstaand artikel verscheen reeds in het oktober nummer 1998 van het wetenschappelijke maandblad

 

Acupunctuur: houdt het steek?

Meer dan 1 op 3 Belgen raadpleegt minstens 1 keer in zijn leven een osteopaat, chiropractor, homeopaat of acupuncturist. In het kader van de verdere uitvoering van de wet Colla vroeg de minister van Volksgezondheid het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) een stand van zaken op te maken van deze 4 populaire niet-conventionele geneeswijzen. In een eerste rapport (december 2010) bestudeerde het KCE osteopathie en chiropraxie. Deze keer is acupunctuur aan de beurt. De therapie werd tegelijkertijd vanuit een wetenschappelijke, sociologische, juridische en organisatorische invalshoek bekeken, een Belgische primeur!

Er zijn in België ongeveer 600 acupuncturisten lid van een van de vier beroepsverenigingen. Het merendeel (65%) is kinesitherapeut of verpleegkundige, een derde (32%) is arts.

Het afgelopen jaar bezocht 3% van de volwassen Belgen een acupuncturist, vaak meerdere malen per jaar, en in combinatie met osteopathie en/of homeopathie. Ze kampen vooral met chronische aandoeningen die vaak te maken hebben met stress: nekpijn, pijn in de onderrug, hoofdpijn en slapeloosheid. Het zijn vaak problemen waarvoor de klassieke geneeskunde alleen oplossingen biedt met een beperkte bewezen doeltreffendheid. Alleen de symptomen worden bestreden, en soms geeft de behandeling bijwerkingen.

De meeste patiënten verwerpen de klassieke geneeskunde niet. Ze gebruiken de alternatieve therapieën als bijkomende behandeling. Ruim 70% van de artsen-acupuncturisten combineert trouwens acupunctuur met klassieke geneeskunde.

Beperkt bewijs van doeltreffendheid
Het kleine aantal betrouwbare wetenschappelijke studies toont aan dat acupunctuur de pijn voor korte tijd beperkt verlicht, onder andere bij lage rugpijn. Maar er is een vermoeden dat het placebo-effect bij acupunctuur een grote rol speelt, vooral als de patiënt grote verwachtingen heeft van de behandeling. Proeven met ‘nep-acupunctuur’, waarbij naalden op willekeurige plaatsen werden ingebracht, toonden een gelijkaardig effect als acupunctuur, wat erop wijst dat de preciese plaatsing van de naalden niet belangrijk is. 
 

Voor andere klachten is niet bewezen dat acupunctuur werkt. Daarom beveelt het KCE de terugbetaling door de ziekteverzekering niet aan.

Veel ondervraagde patiënten erkenden trouwens dat de behandeling niet altijd doeltreffend is. Toch is de tevredenheid van de meeste patiënten vrij hoog, maar deze heeft eerder betrekking op de goede relatie met de therapeut en het relaxerende effect, dan op het resultaat van de behandeling.

Veiligheid patiënt onvoldoende gewaarborgd
Na de behandeling kunnen kleine bijwerkingen optreden, zoals bloeduitstortingen, irritatie,roodheid, slapeloosheid, pijn, bloedingen, hogere bloeddruk,enz. Ernstiger gemelde incidenten zijn klaplong, hartperforatie, verlamming en bloedvergiftiging. Het risico van besmetting door het gebruik van naalden is sterk verminderd, omdat nu meer wegwerpnaalden worden gebruikt. Toch zou er strikt moeten worden gewaakt over de steriliteit van de naalden. Het KCE had geen gegevens over het aantal complicaties, en beveelt daarom een registratie ervan aan.

De opleiding tot acupuncturist legt het accent op de traditionele Chinese geneeskunde die geen enkele wetenschappelijke basis heeft. Het stellen van een conventionele medische diagnose wordt niet aangeleerd. Het risico is dat de therapeuten niet-artsen daardoor een foute diagnose stellen of dat hun patiënten te laat starten met een essentiële klassieke behandeling.

Omdat enkel artsen de bevoegdheid hebben om diagnosen te stellen pleit het KCE ervoor om acupunctuur alleen toe te laten onder voorschrift van een arts. De praktijk van acupunctuur zou ook moeten worden beperkt tot artsen, kinesitherapeuten, verpleegundigen en vroedvrouwen. Vandaag kunnen ook nog andere beroepsgroepen met een paramedische opleiding een graad als acupuncturist krijgen.

De meeste acupuncturisten volgen hun opleiding in België. Geen enkele school is vandaag officieel erkend, en geen enkele opleiding wordt gecontroleerd door een officiële Belgische instantie. In het belang van de veiligheid van de patiënten beveelt het KCE een controle en de erkenning van de opleidingen aan, en vraagt het meer aandacht voor het herkennen van symptomen in de opleiding.

Wet Colla om patiënt te beschermen nog niet uitgevoerd
De Belgische wetgeving voorziet dat alleen artsen een diagnose mogen stellen en een behandeling opstarten. De beoefenaars van acupunctuur die geen arts zijn (dus 68 %) werken dus in de illegaliteit, want de wet Colla, afgekondigd in 1999, werd nog steeds niet volledig uitgevoerd. In afwachting hebben de patiënten geen officiële garantie op kwaliteit en veiligheid.

De wet Colla voorziet een dubbele registratie: een van de niet-conventionele geneeswijzen en een van elke therapeut. Het KCE beveelt aan om alleen therapeuten, die een erkende opleiding hebben gevolgd, te registreren. De registratie van de therapeut zou niet mogen afhangen van het lidmaatschap van een beroepsvereniging.

Wat is acupunctuur?
Acupunctuur is een therapie van Chinese oorsprong, die in de 2e helft van de 20e eeuw in België ingeburgerd raakte. Men gaat ervan uit dat gezondheidsproblemen veroorzaakt worden door een verstoorde energie binnen het lichaam. Na een lang gesprek stelt de therapeut een zogenaamde ‘energetische diagnose’ en identificeert hij/zij het lichaamsgebied waar het probleem zich bevindt. Door het inbrengen van naalden worden dan de acupunctuurpunten gestimuleerd waardoor de energiestroom en het evenwicht zouden worden hersteld. Tijdens de behandeling ligt de patiënt gedurende 20 à 30 minuten onbeweeglijk neer. Om een relaxerende omgeving te creëren wordt er vaak muziek, getemperd licht of wierook gebruikt,

Andere technieken zijn moxa-therapie (het verbranden van de gedroogde moxa-plant), acupressuur, ooracupunctuur, enz.

 
Zout is slecht voor je hart. En goed voor je hart. Of allebei. Als je maar genoeg gezondheidsadviezen naast elkaar legt, is niets wat het lijkt.

‘Als een Belg ziek is, heeft hij iets verkeerds gegeten. En aangezien de Belg drie keer per dag eet, klopt dat meestal ook.' Luc Bonneux hoort het zijn voormalige prof Luc Eyckmans nog zeggen.

Bonneux, die als epidemioloog in Nederland werkt, heeft niet veel op met voedingsadvies, vergezochte gezondheidstips en preventiecampagnes. ‘Gezond eten is simpel: genoeg groente en fruit eten, en geen gigantische porties vlees. En zorg dat je niet zo dik wordt dat je last krijgt van je knieën.' Gezondheidsdeskundigen geven volgens hem ‘een perpetuum mobile van adviezen die nergens op slaan'. We legden hem een paar klassiekers voor.

Zout is slecht voor je hart

Bonneux: ‘Ik woon in België en werk in Nederland, en je proeft het verschil: het eten in Nederland is zouter dan in België, waar veel vaker benadrukt wordt hoe ongezond zout is. Lekker vind ik dat zout niet, ik kies liever zelf hoeveel zout ik op mijn eten doe, maar België is wel erg anti zout.'

‘Zout is een probleem voor sommige hartpatiënten, maar niet voor iedereen. Je hebt mensen die zout makkelijk uitscheiden via de nieren. Als zo iemand veel zout eet, wordt zijn urine zouter. Maar er zijn ook mensen die zout in het lichaam opstapelen, zo ook vocht opstapelen en dus een hogere bloeddruk krijgen. Voor sommige hartpatiënten kan dat een probleem zijn. Zij zullen van de dokter het advies krijgen zout te minderen.'

Dagelijks één glas rode wijn is goed voor je hart

Bonneux: ‘Dat valt moeilijk vast te stellen. Als dat blijkt uit statistisch onderzoek, dan kan dat ook te maken hebben met het soort mensen dat geregeld één glas rode wijn drinkt: gegoede mensen, die vaak ook gezonder leven. Als je het over alcohol in het algemeen hebt, is er bij matig gebruik inderdaad een heilzaam effect op hart en bloedvaten.'

Dat heilzame effect zou te maken hebben met de manier waarop alcohol inwerkt op cholesterolniveaus en insulinewerking. Overmatig alcoholgebruik heeft trouwens dezelfde werking, blijkt uit recent Russisch onderzoek bij een kleine vierduizend chronische overgebruikers. Alleen wordt het heilzame effect bij die groep verzopen in de schade die het chronische drankmisbruik óók aanricht.

Ook bij matig gebruik is alcohol een tweesnijdend zwaard, want het verhoogt het risico op kanker vanaf de eerste druppel. Matig alcoholgebruik lijkt de levensverwachting al bij al te verbeteren, maar het is heel moeilijk te voorspellen wie matig kan blijven. Daarom is het ook niet verstandig niet-drinkers aan te zetten tot één dagelijks glas.

Spinazie bevat veel ijzer

Bonneux: ‘Komt het niet door Popeye dat iedereen dat denkt? Het kan best dat spinazie behoorlijk wat ijzer bevat, maar voor zover ik weet wordt dat ijzer moeilijk door het lichaam opgenomen.'

Dat iedereen spinazie associeert met sterk worden of met ijzer, kan inderdaad door Popeye komen, maar de maker van de tekenfilm was wellicht zelf misleid. De misvatting over het fenomenale ijzergehalte van spinazie komt voort uit wat waarschijnlijk een drukfout was in een Duits boek uit 1871. Het heeft geduurd tot 1937 tot iemand vaststelde dat het ijzergehalte tien keer lager lag dan wat door die foute komma algemeen werd aangenomen. Spinazie bevat ongeveer evenveel ijzer als rundvlees – niet slecht voor een groente – maar in een vorm die veel moeilijker door de spijsvertering wordt opgenomen.

Baby's moeten op hun rug slapen

Bonneux: ‘Uiteraard. Er is geen cultuur ter wereld waar kinderen op de buik slapen, en het is met harde cijfers aangetoond dat buikslapen het risico op wiegendood verhoogt: per duizend baby's die je op de buik laat slapen, gaat er eentje dood. Het choquerende is dat buikslapen een tijdlang werd aangemoedigd, tegen het gezonde verstand van de ouders in. Daarom zou je eigenlijk bij elke preventiecampagne moeten vermelden: “Preventie kan uw gezondheid ernstig schaden.” '

Het oorspronkelijke idee om baby's op hun buik te laten slapen, kwam van dokter Benjamin Spock, de auteur van een van de grootste bestsellers ter wereld: Baby and Child Care. In dat standaardwerk poneerde hij puur op eigen intuïtie dat het beter is baby's op hun buikje te laten slapen, omdat ze zo niet kunnen stikken in hun braaksel. Volgens voorzichtige schattingen heeft hij daarmee de dood van 50.000 westerse baby's op zijn geweten, want het duurde tot de jaren zeventig vooraleer hij behoorlijk werd tegengesproken, in het ene land al later dan het andere. In Nederland werd buikslapen vroeger afgeraden dan in België, wat zich weerspiegelde in veel lagere wiegendoodcijfers.

Roken is ongezond

Bonneux. ‘De meest zinvolle preventie die er is. Ik zou een preventiebeleid baseren op drie pijlers: Eén: begin niet te roken. Twee: als je toch rookt, stop dan. En drie: als je hervalt, stop dan opnieuw. Als ik om gezondheidsreden kon verhuizen naar een planeet waar tabak niet bestond, ik deed het.'

Borstvoeding kan ongezond zijn

Bonneux: ‘Als je aids hebt, is borstvoeding ongezond, anders niet. Daar is een ruime consensus over. Af en toe duikt er iemand op die beweert dat je door borstvoeding te geven, je kinderen vergiftigt met dioxines, en dat is onzin. Er is hoe dan ook nauwelijks iets bewezen over dioxines.'

Dioxines hebben tot nu toe alleen bewezen dodelijk te kunnen zijn voor een regeringscoalitie, met name toen in de aanloop naar de verkiezingen in 1999 de dioxinecrisis losbrak, wat tot een historische nederlaag van de CVP leidde. Maar zelfs iemand die moedwillig met dioxines is vergiftigd, zoals de voormalige Oekraïense president Viktor Joesjtsjenko, is daar niet aan gestorven. Hij heeft trouwens na zijn vergiftiging de verkiezingen gewonnen.'

Wie liever geen borstvoeding geeft, is volgens Bonneux dan ook weer geen slechte moeder: ‘Ook moderne babyvoeding is heel goed. Het enige verschil is dat een baby dankzij borstvoeding heel wat antistoffen binnen schijnt te krijgen. Het is een keuze. Moeders die zeggen dat ze geen borstvoeding kúnnen geven, daar hecht ik weinig geloof aan. Onder moeders die geen babyvoeding kunnen kopen, vind je ze alvast nauwelijks, tenzij vrouwen een terminaal stadium van tbc of zo.'

Zon is slecht voor je

Bonneux: ‘Verbranden in de zon doet pijn, dus met een beetje gezond verstand snap je meteen dat dat niet goed voor je is. Maar zolang je niet verbrandt, is zon gezond. Ik zou daaraan toevoegen: zolang je je niet te veel insmeert. Want door de zonnecrème blijf je langer in de zon dan goed voor je is. Campagnes die zonnecrème aanprijzen, zijn vooral goed voor de producenten van zonnecrèmes, en dat is iets wat je wel vaker ziet in de preventiesector.'

‘Een beetje wantrouwen is wel op zijn plaats. Cholesterolverlagende margarines zou ik nog niet met een stok aanraken. Hormoonvervangende therapieën voor vrouwen in de overgang en vitaminepreparaten, allebei al door campagnes aangeprezen, bleken na onderzoek hart- en vaatziekten en kanker te veroorzaken, niet te genezen. Het probleem met preventiecampagnes is dat ze miljoenen gezonde mensen beïnvloeden, waardoor een kleine vergissing meteen grote problemen veroorzaakt. Het zou niet slecht zijn als ze eerst moesten bewijzen dat hun advies klopt.'

Van Luc Bonneux verschijnt op 14 juni bij uitgeverij Lannoo het boek ‘En ze leefden nog lang en gezond'.




 

 


 


Begin Over Mij HoogbegaaftheidDyslexieBeroemde Mensen met de Gaven van dyslexieDit Moet u WetenStukje economieDe economie van KondratieffFavoriete koppelingenVan plastic olie MakenJuridischHondenEnergieBacteriƫnDe piramide van MaslowSteve JobsBorderlinevoedingangst voor de OverheidJaloersdrugswerkende mensen NarcismeJo Janssen Porta Mosana verwijderd dochter van haar vaderlieverbeter.nlBoeddhaWubbo Ockels het is genoeg we zijn te ver gegaan WederkerigheidRegelsgermaansegeneeskunde www.quarter-horses.nlwww.gastenverblijf-rogery.beHomeopathieMedisch falenTransformatie