Hoogbegaafd
Dyslectici
Jo Janssen Porta Mosana verwijderd dochter van haar vader

Je mag nooit onrecht aanvaarden

Wat er aan vreugde bestaat in deze wereld komt allemaal voort uit het verlangen de ander gelukkig te maken, 
en wat er aan lijden bestaat in deze wereld komt allemaal voort uit het verlangen om zelf gelukkig te zijn. 
Shantideva  




Het Hof Den Bosch heeft op 17 september 2013 gezegd dat een moeder niet mocht verhuizen om te voorkomen dat
het contact met de vader sterk zou verminderen

Wat het contact tussen de vader en [dochter] betreft heeft de moeder gesteld dat de contactregeling zoals die er lag door de overgang van [dochter] naar
de middelbare school, hoe dan ook zal wijzigen. De moeder heeft een alternatief geboden voor de huidige ruime regeling in een regeling van drie weekenden
in de maand, waarbij de moeder te kennen heeft gegeven open te staan voor overleg. Tevens heeft de moeder aangeboden zorg te dragen voor het halen
en brengen van [dochter]. 


Het hof overweegt evenwel dat een verhuizing van de moeder met [dochter] naar [woonplaats 2.] afbreuk doet aan de tussen de ouders overeengekomen
ruime contactregeling tussen de vader en [dochter]. De moeder gaat er ten onrechte aan voorbij dat als [dochter] in [woonplaats 1.] de middelbare school
bezoekt zij de mogelijkheid blijft behouden om ook op doordeweekse dagen naar de vader te gaan, zoals ook nu veelvuldig gebeurt. Daarbij komt dat bij een
verhuizing [dochter] haar sociale leven in de nieuwe omgeving steeds meer vorm zal geven en een contactregeling met de vader van drie weekenden in de
maand naar het oordeel van het hof onder druk kan komen te staan en aldus op den duur onhoudbaar zal blijken Hierdoor zal het contact met de vader
sterk verminderen en de volwaardige ouderrol die de vader thans vervult en die partijen voor ogen heeft gestaan bij de scheiding, zal ophouden te bestaan. 


4.14.5.Alles overziend is het hof van oordeel dat het belang van de moeder om te verhuizen met [dochter] naar [woonplaats 2.] niet dient te prevaleren
boven het belang van [dochter] en de vader bij niet verhuizing.


Ook op 15 augustus deed het Hof Den Bosch een vergelijkbare uitspraak.

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX4190

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
HV 200.106.516 
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht 
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep 
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing afgewezen. Belang kinderen op onverstoord contact met vader in vertrouwde leefomgeving dient te prevaleren boven belang van moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl 

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 9 augustus 2012

Zaaknummers: HV 200.106.516/01

Zaaknummer eerste aanleg: 164713 / FA RK 11-1140

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.L. Molenaar,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B.P. van der Graaf.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 10 februari 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 mei 2012, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw
rechtdoende en uitvoerbaar bij voorraad de moeder vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar Noord-Holland, in het
bijzonder naar de gemeente Medemblik, en om de kinderen aldaar op een school te laten inschrijven, in het bijzonder op de school “de Bangert” te
[vestigingsplaats 1.].

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 juni 2012, heeft de vader verzocht het verzoek van de moederaf te wijzen en de bestreden
beschikking te bekrachtigen.

Tevens heeft de vader een voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld waarbij hij een omgangsregeling vastgesteld wenst te zien zoals door hem is
voorgesteld in een tijdens onderhavige procedure overgelegd ouderschapsplan, doch alleen voor zover het hof ertoe mocht besluiten de bestreden
beschikking te vernietigen en de moeder alsnog vervangende toestemming te verlenen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juli 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Molenaar;

- de vader, bijgestaan door mr. Van der Graaf;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw V.J.M. Boermans.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 januari 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 22 juni 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 25 juni 2012.

3. De beoordeling

3.1. Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats];

- [B.] (hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats].

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder.

3.2. Bij tussenbeschikking van 10 oktober 2011 heeft de rechtbank Maastricht de beslissing inzake het verzoek van de moeder tot vervanging van de
ontbrekende toestemming van de vader om de kinderen te laten inschrijven in de gemeente Wervershoof en tevens op een basisschool in de omgeving
aangehouden in afwachting van een door diezelfde rechtbank gelast raadsonderzoek naar het belang van de kinderen in relatie tot de door de moeder
gewenste verhuizing.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder, strekkende tot vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader
 om de moeder met de kinderen te laten verhuizen naar [woonplaats 2.] en omstreken en de kinderen in te laten schrijven op een basisschool in
[woonplaats 2.] en omstreken, afgewezen.

3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in appel gekomen.

3.4. De moeder voert het volgende aan. Alwaar de rechtbank stelt dat de omgang tussen de vader en de kinderenniet meer op ongestoorde wijze zal
kunnen plaatsvinden, is de moeder van mening dat hier geen sprake van is. Weliswaar zal de huidige zorgregeling aan verandering onderhevig zijn
omdat deze niet meer kan aanvangen op vrijdagochtend om 07.30 uur, maar de omvang van de huidige zorgregeling kan gecontinueerd blijven en zelfs
vergroot worden. De moeder heeft daartoe een voorstel aan de vader gedaan, inhoudende dat de te vervallen omgangsdagen op de vrijdagen
gecompenseerd worden in de vakanties en op studiedagen. Ook voor de toekomst is de moeder bereid om de in totaal 26 dagen die de vader en de 
kinderen door een verhuizing minder aan omgang zullen hebben te compenseren in de vakanties van de kinderen en op studiedagen van de vader.

Desalniettemin zal de omgang volgens de moeder evengoed veranderen nu de locatie van de Koninklijke Militaire School waar de vader thans werkzaam
is per 1 april 2013 opgeheven wordt en de vader hierdoor te zijner tijd elders gestationeerd zal worden.

Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er thans sprake is van een meer dan gemiddeld frequente omgangsregeling, nu de
 kinderen de vader slechts eens in de twee weken een weekend zien en tegenwoordig iets meer vanwege de voetbaltraining. Er is dan ook geen sprake
van een gelijkwaardige opvoeding en verzorging zoals door de raad in het raadsrapport wordt gesteld. De moeder stelt dat zij in beginsel recht heeft om
met de kinderen te verhuizen, nu de kinderen hun hoofdverblijf bij haar hebben. De moeder heeft haar “roots” in het Noorden van het land en thans
sinds enige tijd ook een bestendige relatie met haar nieuwe partner in [plaatsnaam 1.], bij wie de moeder ieder weekend verblijft. Volgens de moeder 
kan na afweging van alle omstandigheden en belangen in deze zaak niet anders dan geconcludeerd worden dat haar verzoek om vervangende
toestemming moet worden toegewezen.

3.5. De vader voert aan dat hij vreest dat wanneer de moeder eenmaal met de kinderen verhuisd zal zijn naar Noord-Holland, de bereidheid ten aanzien
van de ondersteuning van de zorgregeling tussen hem en de kinderenvan haar kant zal afnemen en dat de zorgregeling hieronder zal gaan lijden.
Bovendien zal het reizen gelet op de afstand een grote belasting met zich meebrengen voor een ieder, maar bovenal ook voor de kinderen. De vadergeeft
aan te vermoeden dat de kinderen de reistijd naarmate zij ouder worden als steeds zwaarder zullen gaan ervaren. De kinderen zullen immers steeds de
volledige afstand moeten afleggen, nu zij hierin niet, zoals partijen, gedeeltelijk gecompenseerd kunnen worden door haal- en breng afspraken. Na een
verhuizing naar Noord Holland zal de omgang duren van vrijdagmiddag tot zondagavond, waarbij de kinderen per weekend minimaal 6 uur in de auto
zitten. Ook dient rekening te worden gehouden met het feit dat naarmate de kinderen ouder worden hun eigen sociale contacten een steeds grotere rol
in hun leven zullen gaan spelen, waaraan zij ook steeds meer gewicht zullen gaan toekennen. Indien de zorgregeling na enige tijd niet of niet volledig
meer zal worden nageleefd zal de band tussen de vader en de kinderen afnemen wegens het geringe contact. De omgang is thans in tegenstelling tot
wat de moeder hierover aangeeft uitgebreider dan een reguliere omgang, nu deze op vrijdagochtend begint tot zondagavond en er tevens op maandag
en woensdag omgang is vanwege de voetbaltrainingen van [zoon]. Volgens de vader bagatelliseert de moeder zijn opvoedingsrol, nu hij wel degelijk altijd
betrokkenheid getoond heeft bij de kinderen en ook meermaals en tevergeefs een voorstel tot een ruimere omgangsregeling heeft gedaan aan de moeder.

Het compensatievoorstel van de moeder in geval van verhuizing is volgens de vader praktisch niet uitvoerbaar, temeer nu de schoolvakanties in Limburg niet gelijk lopen met de schoolvakanties in Noord-Holland en het bovendien niet bekend is of de studiedagen van de vader in de (nabije) toekomst ook altijd op de vrijdag zullen vallen.

De vader betwist dat hij vanwege een wijziging van standplaats gedwongen is om te verhuizen, nu er inmiddels voldoende zekerheid over bestaat dat hij in [standplaats] zal worden geplaatst.

3.6. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het eerder aan de rechtbank uitgebrachte advies gehandhaafd. De raad is van mening dat het niet in het belang van [zoon] en [dochter] is als de moeder vervangende toestemming krijgt om te verhuizen. Uit het onderzoek van de raad is gebleken dat beide ouders een goede band hebben met dekinderen. De moeder heeft het grootste aandeel in de verzorging en opvoeding van de kinderen en zij heeft dit ook altijd goed gedaan. Dat de moeder thans een gevoel heeft terug te willen naar haar ‘roots’ acht de raad voorstelbaar maar wel puur ingegeven door haar eigen belang en niet door dat van de kinderen. De raad is van mening dat de kinderen geen schade zullen oplopen van een verhuizing, maar dat dit geen antwoord is op de vraag die voorligt, te weten, of een verhuizing in het belang van de kinderen is. De consequenties van de verhuizing in onder meer het contact met de vader maar ook gezien het feit dat zij uit hun vertrouwde [woonplaats 3.] leefomgeving worden gehaald zijn wel degelijk belastend voor de kinderen en daarmee zouden zij niet moeten worden belast. Er is thans veelvuldig contact tussen de kinderen en de vader, meerdere keren per week. Door de verhuizing zal dit veelvuldige en goede contact niet meer mogelijk zijn. Bovendien is de reisafstand die dient te worden afgelegd aanzienlijk en vergt deze voor partijen maar vooral ook voor de kinderen een grote inspanning. De afstand van 275 km (in het gunstigste geval 3 uur per enkele reis) is voor de kinderen zeer onwenselijk om tweewekelijks en tijdens de vakanties en feestdagen te moeten afleggen. Het reële gevaar bestaat dat de kinderen naarmate ze ouder worden hier steeds vaker vanaf zullen willen zien waardoor contactafbreuk tussen de vader en de kinderen dreigt. De raad is dan ook van mening dat een verhuizing van de vader een onevenredige investering eist.

Vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving

3.7. Ten aanzien van de vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder met de kinderen naar Noord Holland, gemeente Medemblik, overweegt het hof als volgt.

3.7.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen en voor de inschrijving van hen op een andere basisschool in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

In een geschil als het onderhavige dienen dan ook de navolgende omstandigheden en belangen te worden meegewogen:

- het recht en belang voor de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij geworteld zijn in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

- de extra kosten van de omgang na de verhuizing.

3.7.2. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing naar de gemeente Medemblik ([woonplaats 2.]) en inschrijving van de kinderen op een basisschool in [vestigingsplaats 1.] heeft afgewezen. In aanvulling op de motivering door de rechtbank en met in achtneming van bovengenoemde omstandigheden en belangen overweegt het hof het volgende.

Recht en belang voor de moeder om te verhuizen

3.7.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de wens van de moeder om te verhuizen naar de gemeente Medemblik overwegend is ingegeven door haar persoonlijke wens om terug te gaan naar haar ‘roots’ in het Noorden van het land om daar een nieuw leven met haar nieuwe partner te kunnen opbouwen. Het hof acht deze wens van de moeder om te verhuizen naar een voor haar vertrouwde omgeving begrijpelijk. De ‘roots’ en het maatschappelijke netwerk van de kinderen liggen echter in Limburg, alwaar zij hun vriendjes, school maar bovenal ook hun vader met wie zij een veelvuldig contact onderhouden in de nabije omgeving hebben. Desgevraagd heeft de moeder ter zitting nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat het belang van dekinderen bij een verhuizing met name schuilt in hun belang om een gelukkige moeder te hebben. De ‘roots’ van de moeder en haar belang en recht op een nieuw leven elders worden hiermee naar het oordeel van het hof ten onrechte boven de ‘roots’ en het belang van de kinderen gesteld om hun leven te continueren in een voor hen prettige leefomgeving met de vader en een sociaal netwerk in de nabije omgeving. Het feit dat de kinderen ook familie in het Noorden van het land hebben met wie zij vertrouwd zijn doet aan het voorgaande naar het oordeel van het hof niet (voldoende) af. Het hof acht het de verantwoordelijkheid van de moeder om haar leven zodanig aan te passen dat zij ook in het Zuiden van het land met de kinderen gelukkig kan zijn.

Noodzaak tot verhuizing

3.7.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de moeder naar het oordeel van het hof zeker een belang bij de verhuizing, doch de noodzaak hiertoe is onvoldoende aangetoond. Er is geen sprake van een economisch nijpende situatie die de moeder in financieel opzicht noodzaakt tot verhuizen; immers zij heeft al jaren een vaste baan in [woonplaats 3.]. Weliswaar heeft de moeder gesteld dat zij psychische klachten ondervindt van de spanningen omtrent de onderhavige zaak en het feit dat zij het gevoel heeft in het Zuiden van het land niet goed te kunnen aarden; echter de door de moeder overgelegde summiere verklaring van de huisarts hieromtrent acht het hof onvoldoende om een daadwerkelijke psychische noodzaak om te verhuizen aan te kunnen nemen. De overige door de moeder aangedragen argumenten om te verhuizen, zoals dat zij thans met de kinderen in een slechte wijk van [woonplaats 3.] zou wonen en er niet binnen afzienbare tijd uitzicht is op een woning in een betere wijk, zijn, gezien de gemotiveerde betwisting door de vader en de raad, onvoldoende gegrond.

Doordenking en voorbereiding van de verhuizing

3.7.5. Het hof is van oordeel dat de moeder haar best heeft gedaan om een verhuizing voor de kinderen zo goed mogelijk te laten verlopen, door onder meer een school voor hen te zoeken en hen beiden reeds voor een sport op te geven. Hetgeen de moeder echter naar het oordeel van het hof van ondergeschikt belang lijkt te vinden, is de onvermijdelijke vermindering van het contact tussen de kinderen en de vader door de verhuizing. Het had op de weg van de moeder gelegen om gedegen alternatieven te onderzoeken. De ongefundeerde stelling van de moederdat haar partner niet in zuidelijke richting kan verhuizen vanwege zijn werk en vanwege de ruime omgangsregeling die hij heeft met zijn kinderen uit een eerdere relatie, getuigt er naar het oordeel van het hof van dat naar mogelijke alternatieven geen daadwerkelijk onderzoek is gedaan. Uit de werkgeversverklaring van de partner van de moeder blijkt immers dat de commerciële speerpunten en aandachtsvelden van zijn functie in de Noordelijke Randstad liggen, te weten in de omgeving van Utrecht en van Noord Holland, tengevolge waarvan zijn woonlocatie in één van bovengenoemde gebieden dient te liggen. Het hof is dan ook van oordeel dat er door demoeder en haar nieuwe partner gekeken had kunnen worden naar mogelijkheden om samen in de omgeving van Utrecht te gaan wonen. Hiervan is niet gebleken.

De omgangsregeling die de nieuwe partner van de moeder naar haar zeggen heeft, waarbij sprake is van een slechts marginaal ruimere omgang dan die de kinderen met de vader hebben, dient volgens de moederongewijzigd te blijven doch van de kinderen (en de vader) verwacht de moeder wel zodanig veel flexibiliteit dat zij om het weekend een totale afstand van 550 kilometer dienen af te leggen voor een in frequentie en duur sterk verminderde omgangsregeling. Het hof acht een dergelijke investering voor de kinderen onevenredig belastend.

Alternatieven/maatregelen ter compensatie

3.7.6. De vader en de kinderen hebben momenteel om het weekend van vrijdagochtend tot zondagavond omgang met elkaar en tevens zien zij elkaar twee keer doordeweeks gedurende de voetbaltraining die de vader aan [zoon] geeft, waarbij [dochter] veelvuldig ook aanwezig is. De moeder heeft de vader een compensatievoorstel gedaan om de schoolvakanties bij helfte te verdelen, nu de vader door de verhuizing doordeweeks minder omgang met dekinderen zal hebben. Echter mede gelet op het feit dat de vakantieperioden in Noord-Holland en Limburg op verschillende data vallen is een dergelijke regeling praktisch niet haalbaar, nu de vakantieweken van de kinderendan veelal werkweken zijn voor de vader.

Tevens zal de omgangsvrijdag die de kinderen thans om de week met de vader hebben komen te vervallen. Demoeder heeft voorgesteld om het jaarlijkse verlies van 26 (vrij)dagen aan omgang te compenseren in de schoolvakanties van de kinderen en op studiedagen van de vader. Nu de vader te kennen heeft gegeven dat het niet zeker is dat zijn studiedagen in de toekomst ook altijd op de vrijdag zullen vallen geeft het voorstel van demoeder naar het oordeel van het hof onvoldoende compensatiegarantie, nu een omgangsdag op een doordeweekse studiedag die niet aansluit op het omgangsweekend praktisch niet haalbaar zal zijn in de weken dat de vader geen vakantie heeft. Daarbij is geen compensatie mogelijk voor de frequente contactmomenten op doordeweekse dagen.

Onderlinge communicatie en overleg

3.7.7. Uit de raadsrapportage d.d. 9 november 2011 is gebleken dat de ouders in staat zijn om met elkaar te communiceren zonder dat dit tot spanningen of conflicten leidt. De kwaliteit van de communicatie is goed en de onderwerpen die de kinderen betreffen worden op een efficiënte wijze uitgewisseld. Verder heeft het raadsonderzoek uitgewezen dat partijen met een slecht gevoel terugkijken op de aanleiding van de scheiding, doch dat dit op de langere termijn geen grote invloed heeft gehad op de kwaliteit van de communicatie of de onderlinge verhouding. Uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting in hoger beroep is het hof wel gebleken dat de huidige kwestie rondom de mogelijke verhuizing van de moeder de verhouding tussen partijen wel enigszins op scherp heeft gezet. Gelet op het voorgaande is het hof echter van oordeel dat partijen reeds eerder hebben laten zien dat zij ondanks emotionele gebeurtenissen als verantwoorde ouders met elkaar kunnen blijven communiceren.

Recht op onverminderd contact en de verdeling en continuïteit van de zorg

3.7.8. Nog los van de al dan niet bestaande compensatiemogelijkheden, is het hof met de raad en de rechtbank van oordeel dat naarmate de kinderen ouder worden de kans steeds kleiner wordt dat zij om het weekend en iedere vakantie de totale afstand van 550 kilometer willen afleggen met de daaraan gekoppelde aanzienlijke reistijd. De kinderen zullen na een verhuizing hun leven steeds meer gaan vormgeven in de nieuwe woonplaats, waar zij nieuwe vriendjes zullen maken en nieuwe klasgenoten krijgen. Naarmate de tijd verstrijkt bestaat het reële risico dat de interesse van de kinderen in het ‘oude’ leven in [woonplaats 3.] vermindert. Ongedwongen even langsgaan bij de vader is er pertinent niet meer bij en ook de wekelijkse voetbaltrainingen komen te vervallen, waardoor de rol van de vader gemarginaliseerd dreigt te worden. Het hof is van oordeel dat door een verhuizing, en het daaraan inherente verminderde contact van de vader met de kinderen, zal leiden tot een uitholling van het vaderschap en de band die de vader en de kinderen met elkaar hebben. De vader heeft het recht op een zinvolle invulling van zijn ouderrol waarin plaats is voor onverminderd contact met de kinderen, waar dit bovenal een recht van de kinderen betreft.

Het hof is weliswaar van oordeel dat het dient te gaan om de kwaliteit van de omgangscontacten en niet om de kwantiteit, echter in onderhavige zaak bestaat er een reëel risico dat er op de langere termijn zo goed als geen omgang meer zal plaatsvinden, waardoor de band tussen de vader en de kinderen zal verwateren. De kwaliteit van de beperkt frequente omgang zal dan evenals de kwantiteit zeer waarschijnlijk verminderen.

Het hof is er voorts van overtuigd dat hetgeen door partijen destijds in het echtscheidingsconvenant is opgenomen over een toekomstige verhuizing van de moeder met de kinderen naar Noord Holland een emotionele vergissing (gezien de aanleiding voor de echtscheiding) zijdens de vader is geweest, gelet op de inspanningen van de vadersedert de laatste jaren waar het de (uitbreiding van) de omgang met de kinderen betreft waardoor er thans sprake is van een geheel andere situatie met een andere en ruimere zorgverdeling. Bovendien is het sociale leven van dekinderen in [woonplaats 3.] thans aanzienlijk omvangrijker dan ten tijde van de echtscheiding en het opstellen van het convenant. Het hof is gebleken dat de vader naar vermogen invulling heeft gegeven aan zijn gezag en bereid is geweest een grotere rol te spelen in het leven van de kinderen. De vader heeft ter zitting nogmaals het voorstel geopperd om eventueel co-ouderschap te overwegen, waarbij de moeder wellicht week op week af in de gemeente Medemblik kan verblijven, temeer ook nu de moeder parttime werkt. De moeder heeft er blijk van gegeven dit geen haalbaar voorstel te vinden en heeft dit vooralsnog van de hand gewezen.

De leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate van geworteldheid

3.7.9. Uit het raadsonderzoek is gebleken dat de raad van mening is dat de kinderen waarschijnlijk geen schade zullen ondervinden van een verhuizing, maar dat dit ondergeschikt is aan de vraag of het in het belang van dekinderen is dat zij met de consequenties van een verhuizing worden belast. De stelling van de moeder dat dekinderen inmiddels gewend zijn om te verhuizen, nu zij in 2007 al eerder tijdelijk naar [woonplaats 2.] alsook binnen [woonplaats 3.] al eens zijn verhuisd, maakt naar het oordeel van het hof juist dat de kinderen niet nogmaals uit hun vertrouwde omgeving moeten worden gehaald. De verhuizing naar [woonplaats 2.] in 2007 heeft na zeven maanden geleid tot een terugverhuizing naar [woonplaats 3.] vanwege het feit dat de moederwegens haar echtscheidingsverwerking haar draai niet kon vinden in [woonplaats 2.]. Ook destijds prevaleerden de belangen van de moeder om elders haar draai te vinden klaarblijkelijk boven die van de kinderen. Op dit moment kan de moeder in [woonplaats 3.] haar draai niet vinden en wenst zij opnieuw over te gaan tot de ingrijpende verhuizing naar het Noorden van het land, waarbij niet met zekerheid gesteld kan worden dat zij haar draai daar nu wel zal vinden.

Evenals de raad ziet het hof praktische en inhoudelijke bezwaren tegen de door de moeder gewenste verhuizing met de kinderen naar Noord Holland. De kinderen zijn ingegroeid in hun vertrouwde [woonplaats 3.] leefomgeving. Beide kinderen hebben in [woonplaats 3.] hun school en vriendjes. [zoon] is in [woonplaats 3.] bovendien lid van een voetbalclub, waarbij de vader zijn trainer is. Indien de kinderen verhuizen kunnen zij wegens de omgangsregeling met de vader in Limburg in het geheel niet meer deelnemen aan teamsporten, nu er in de weekenden wedstrijden gespeeld worden waaraan zij dan om de week niet deel kunnen nemen. De moeder heeft verklaard dat de kinderen de ene week deel kunnen nemen aan de wedstrijd in Noord Holland en het andere weekend in [woonplaats 3.], echter het hof acht een dergelijke optie praktisch nagenoeg onhaalbaar en daarbij onwenselijk voor de kinderen, nu zij in die geschetste situatie om het weekend een wedstrijd moeten spelen in een team waarmee zij nimmer doordeweeks kunnen trainen en waarmee zij na enige tijd geen aansluiting meer zullen hebben.

De kinderen hebben thans een frequent contact met de vader, waarbij zij hem wekelijks meerdere keren zien, mede vanwege de voetbaltrainingen van [zoon]. Ook in de weekenden dat [zoon] wedstrijden speelt (en er verder geen omgang is) is er logischerwijs contact met de vader. Verder hebben de kinderen om het weekend omgang met de vader van vrijdagochtend tot zondagavond. Door een verhuizing naar de andere kant van het land zal dit uitgebreide contact tussen de kinderen en de vader in grote mate afnemen. De inspanning voor de kinderen om elke twee weken een totale reisafstand af te leggen van 550 kilometer acht het hof zeer onwenselijk en bezwaarlijk, zeker voor de toekomst, vanwege de toenemende leeftijd en interesses van de kinderen en het feit dat het zwaartepunt van hun maatschappelijke leven na een verhuizing in het Noorden van het land zal komen te liggen. Een dermate verre verhuizing betekent voor zowel de kinderen als de vader naar het oordeel van het hof een onevenredige investering. De stelling van de moeder dat de kinderen thans ook om het weekend met demoeder meereizen naar Noord-Holland en derhalve gewend zijn aan de reisafstand en de frequentie van het reizen doet aan het voorgaande niet af. Thans ervaren de kinderen deze weekenden wellicht nog als een uitje en bovendien hebben zij ook geen keuze dan met de moeder mee te gaan, waar zij naarmate zij ouder worden logischerwijs meer hun eigen beslissing hierin zullen willen nemen. Daarbij verliest de moeder voorts uit het oog dat de kinderen er in de toekomst voor kunnen kiezen een extra weekend bij hun vader door te brengen op momenten dat de moeder naar haar partner in het Noorden wenst te reizen en de kinderen in [woonplaats 3.] willen blijven.

Extra kosten van omgang na verhuizing

3.7.10. Naar het oordeel van het hof is het kostenaspect in onderhavige zaak niet aan de orde, nu de vader geen extra kosten zal ondervinden van een verhuizing, temeer nu de moeder zich bereid heeft verklaard de kinderen te halen en te brengen.

3.8. Gelet op het vorenstaande en alle bovenstaande belangen tegen elkaar afwegende is het hof van oordeel dat de belangen van de kinderen bij een onverstoord contact met de vader in een voor hen vertrouwde leefomgeving in onderhavige zaak dienen te prevaleren boven het belang en de wens van de moeder om te verhuizen naar de gemeente Medemblik om daar haar leven opnieuw in te richten.

3.9. Op grond van het vorenstaande zal het hof evenals de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met de kinderen naar de gemeente Medemblik te verhuizen en de kinderen in te schrijven op de school “De Bangert” te [vestigingsplaats 1.] afwijzen.

Voorwaardelijk incidenteel appel omtrent de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

3.10. Nu, zoals uit het vorenstaande blijkt, de grieven van de moeder niet tot een vernietiging van de bestreden beschikking kunnen leiden, behoeft het voorwaardelijk incidenteel appel van de vader geen verdere bespreking en beslissing. De voorwaarde waaronder dit incidenteel appel is ingesteld – dat het hof aan de moeder vervangende toestemming verleent voor de verhuizing naar de gemeente Medemblik – is immers niet in vervulling gegaan.

3.11. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 10 februari 2012;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, W.Th.M. Raab en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2012.

Soms hoort de rechter het kind. In het gesprek met het kind zoekt de rechter aanvullende informatie over de beleving van het kind. De rechter is niet verplicht om het  
standpunt van het kind te volgen. De rechter volgt niet automatisch de voorkeur van het kind voor een bepaalde verblijfsregeling.
En de rechter verandert de verblijfsregeling niet automatisch omdat het kind zegt dat het een van de ouders niet meer wil ontmoeten.

 

Rechters proberen in het gesprek te vermijden dat het kind partij moet kiezen voor moeder of vader. Veel kinderen verwoorden toch een voorkeur voor of een afkeer van
een bepaalde ouder. Achter het standpunt van een kind zitten dikwijls ingewikkelde redeneringen.

 

Sofie is 9 jaar. Zij zegt aan de rechter dat ze nooit meer naar mama wil. Sofie heeft een tijdje bij mama gewoond en nu woont ze bij papa. Haar bezorgdheden en wensen
zijn:

 

Ik zag en zie mama graag. Toen ik nog bij mama woonde, heb ik mama eens gezegd dat ik moeke (de nieuwe vrouw van papa) graag zie. Toen heeft mama gezegd dat ik
dan maar bij moeke moest gaan wonen. Ik denk dat mama mij niet meer graag zag en mij niet meer wou zien, omdat ik ook moeke graag zag en ik haar dat gezegd heb.
Mama ziet Marie (mijn  zusje) liever dan mij, want Marie moest niet bij moeke gaan wonen. Ik ben bang dat, als ik nu aan papa en moeke zou zeggen dat ik mama graag
zie, dat papa en moeke mij dan niet meer graag zullen zien en mij dan zullen wegsturen naar mama. Ik wil niet dat moeke zegt dat ik naar mama moet gaan.


Via ingewikkelde redeneringen beslist Sofie dat 'aan de rechter zeggen dat ze niet meer naar mama wil gaan' een oplossing is voor haar probleem. Haar vurigste wens is
dat haar ouders stoppen met ruzie maken.

 

Sommige rechters volgden een opleiding om de uitspraken en wensen van kinderen van apart wonende ouders beter te begrijpen. In een recent onderzoek in Vlaanderen
zegden kinderen onder andere: Rechters moeten het kind geloven, en mogen geen domme vragen stellen die er niets mee te maken hebben.  Ze mogen ook niet zeggen
dat mama of papa woorden in de mond van het kind heeft gelegd.

 

De jeugdrechter moet persoonlijk met het kind spreken

 

Als de ouders niet tot een overeenkomst komen, verplicht de jeugdbeschermingswet de jeugdrechter om elke jongere boven de 12 jaar uit te nodigen om persoonlijk door
hem gehoord te worden. Jeugdrechters nodigen dikwijls ook jongere kinderen uit. De jeugdrechter maakt een verslag van zijn gesprek met het kind. Dat kunnen de
ouders en hun advocaten op de rechtbank lezen.

 

De vrederechter en de kortgedingrechter kunnen het kind horen

 

Het hoorrecht uit het gerechtelijk wetboek geeft de vrederechter en de kortgedingrechter de mogelijkheid om een kind te horen. Het hoorrecht bepaalt geen minimumleeftijd.

 

De rechter kan het kind uitnodigen. Het kind kan zelf aan de rechter vragen om gehoord te worden. Dat zal gebeuren, tenzij de rechter oordeelt dat het kind niet over het
nodige onderscheidingsvermogen beschikt. Een ouder of advocaat kan de rechter vragen om het kind te horen. De rechter kan dit verzoek inwilligen of weigeren, al
naargelang hij een gesprek zinvol vindt.

 

Wettelijk kunnen ouders niet beletten dat hun kind op eigen vraag of op vraag van een rechter gehoord wordt. De rechter brengt beide ouders en het kind op de hoogte
van de uitnodiging. Het kind mag zonder enige verantwoording een gesprek met de rechter weigeren. Het kind mag dan een briefje schrijven of zonder verwittiging niet op
het gesprek verschijnen. Als het kind tijdens het gesprek liever niets zegt, dan mag dat. Het kind is niet verplicht te spreken.

 

De rechter is niet verplicht om het kind zelf persoonlijk te spreken. Hij kan een deskundige aanwijzen. De rechter beslist of het kind tijdens het gesprek alleen aanwezig is of
begeleid wordt door een psycholoog, dokter, maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon. Moeder, vader of de advocaten van moeder en vader mogen op het gesprek
niet aanwezig zijn. De advocaten van de ouders kunnen, na het gesprek, het verslag op de rechtbank gaan lezen.

 

2009-03 BIJ MAMA OF PAPA WONEN: MAG HET KIND KIEZEN?

 

Elsje is 14. Haar mama en papa gaan scheiden. De papa van Elsje vertelde haar dat zij zelf maar moet kiezen waar ze vanaf nu zal wonen.
De rechter kan dit niet beslissen nu ze al 14 jaar is.


Jozefien is 16 jaar. Sinds de scheiding van haar ouders woont ze beurtelings een week bij vader en bij moeder. Het botert echter niet tussen Jozefien en de
nieuwe partner van mama, en ze zou graag meer bij papa verblijven. Moeder is hier niet mee akkoord, en dreigt naar de jeugdrechter te stappen.
Kan Jozefien niet zelf beslissen waar ze woont? Ze is toch al 16 jaar?

 

 

 

OUDERLIJK GEZAG TOT 18 JAAR

Kinderen staan tot 18 jaar onder het ouderlijk gezag van hun ouders (art. 373 e.v. B.W.). Het ouderlijk gezag houdt onder meer het recht van bewaring van de
ouders over hun minderjarige kinderen in. Het ouderlijk gezag blijft steeds gelden, ongeacht de ouders feitelijk samenwonen, gehuwd zijn,
in een echtscheidingsprocedure zitten, feitelijk gescheiden zijn of uit de echt gescheiden.


Ook wanneer ouders uit elkaar gaan, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen. In principe zijn het dus de ouders die samen beslissen waar de
kinderen zullen verblijven. Veel ouders houden in de praktijk rekening met de mening van hun kinderen als ze dergelijke ingrijpende beslissingen moeten nemen.
 

Wanneer ouders niet tot een akkoord komen, zelfs niet met hulp van een bemiddelaar, kan alleen een rechter beslissen over de verblijfsregeling van de kinderen.
Sinds 2006 heeft de wetgever een voorkeur voor de tweeverblijfsregeling ingevoerd. Wanneer één van de ouders het vraagt, is de rechter verplicht om een
tweeverblijfsregeling bij voorrang te onderzoeken. Alleen wanneer zo’n beurtregeling tussen ouders geen goede oplossing biedt voor het kind, kan de rechter een
ongelijk verdeelde huisvesting opleggen (meestal een hoofdverblijf bij de ene ouder en om de 2 weken 1 weekend bij de andere ouder).


De rechter beslist in het belang van het kind, en zal in de meeste gevallen ook naar de kinderen luisteren om hun mening te weten. Het principe van het hoorrecht
van kinderen werd ingeschreven in het gerechtelijk wetboek. Artikel 931 (al. 3 tot 7) Ger.W. bepaalt dat kinderen, die ‘over het oordeel des onderscheids
beschikken’ 
gehoord kunnen worden in alle procedures die hen aanbelangen.


Verschillende scenario’s kunnen zich voordoen:

Normaal is de jeugdrechter de bevoegde rechter bij betwistingen tussen ouders over de uitoefening van het omgangsrecht (art. 387bis B.W.). Dit is het geval voor
zowel gehuwde als voor ongehuwde ouders.

  1. Wanneer het huwelijk van de ouders in crisis is, en een tijdelijke en snelle beslissing van een rechter noodzakelijk is, is het de vrederechter die bevoegd is
  2. (art. 223 B.W.). De vrederechter neemt dan voorlopige maatregelen betreffende o.a. aparte woonst, verblijf van de kinderen, omgangsregeling,
  3. alimentatie… Het gaat hier om een feitelijke scheiding(en niet om een echtscheiding).
     
  4. Wanneer er tussen de ouders een echtscheidingsprocedure loopt, is het de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (de “kortgedingrechter”) die
  5. zich uitspreekt over voorlopige maatregelen zoals de verblijfs- en bezoekregeling van de kinderen (art. 1280 Ger.W.). Die maatregelen kunnen bevestigd
  6. of gewijzigd worden door de rechter die beslist over de echtscheiding.
     
  7. In alle andere gevallen is het de jeugdrechter die beslist over de situatie van de kinderen. Als ouders niet gehuwd zijn, is dus noch de vrederechter, noch
  8. de rechtbank van eerste aanleg bevoegd.
Hebben kinderen inspraak bij gerechtelijke procedures waarin zij ook betrokken zijn?
  1. Bij een (burgerlijke) procedure voor de jeugdrechtbank is de rechter verplicht om kinderen van 12 jaar of ouder te horen (art. 56bis Jeugdwet). Het kind
  2. van 12 jaar of ouder dat uitgenodigd wordt door de rechter is niet verplicht om op die uitnodiging in te gaan: kinderen hebben een spreekrecht maar geen
  3. spreekplicht. 
    Kinderen jonger dan 12 jaar, kunnen eventueel gehoord worden, wanneer de jeugdrechter dit opportuun acht (art. 51, lid 1 Jeugdwet, dat ook van
  4. toepassing is in burgerlijke zaken). Wanneer een kind jonger dan 12 vraagt om te worden gehoord, is de rechter niet verplicht hierop in te gaan, maar
  5. dat moet hij dan wel motiveren. De “gewone” hoorregeling is dan van toepassing (art. 931, lid 3-7 Ger.W., zie verder: 2).
    De jeugdrechter is niet verplicht om de mening van het kind te volgen. Hij moet ook rekening houden met de argumenten van beide ouders en met de
  6. concrete omstandigheden van de zaak. De jeugdrechter schat ook zelf het belang van het kind in.

    Wanneer de jeugdrechter een vonnis heeft uitgesproken over verblijf en omgangsregeling, blijft hij ook achteraf bevoegd om de regeling aan te passen
  7. totdat de kinderen meerderjarig zijn. In geval van nieuwe elementen, kan één van de ouders de zaak opnieuw bij de jeugdrechtbank aanhangig maken
  8. (door het neerleggen van een schriftelijke argumentatie - conclusie of verzoek) (art. 387bis, lid 5 B.W.).
     
  9. Ook bij de vrederechter of bij de rechtbank van eerste aanleg kunnen kinderen gehoord worden door de rechter. De gewone hoorregeling van art. 931,
  10. lid 3-7 Ger.W. maakt het mogelijk dat minderjarigen met voldoende onderscheidingsvermogen worden gehoord in elke procedure die hen aanbelangt.
  11. De rechter kan oordelen dat hij het kind wil horen, maar ook het kind kan de rechter verzoeken om te worden gehoord. Het is de rechter die oordeelt of
  12. het kind over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt. Een rechter kan een verzoek van een kind van 12 jaar of ouder alleen in uitzonderlijke
  13. omstandigheden weigeren, en hij zal dat moeten motiveren. De rechter is niet verplicht om de mening van de minderjarige te volgen.
  14. Wél moet hij naar hen luisteren en “passend belang” hechten aan die mening, in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid (art. 12 IVRK).

 

CASUSOPLOSSING

Elsje kan niet zelf kiezen waar ze gaat wonen. Nu de ouders van Elsje uit de echt zullen scheiden, is het de kortgedingrechter die een uitspraak zal doen over
waar Elsje zal wonen. De rechter kan Elsje uitnodigen om naar haar mening te luisteren, maar is dit niet verplicht. Elsje kan ook zelf aan de rechter vragen om
gehoord te worden. Indien de rechter dit niet wil (wat niet gebruikelijk is) zal de rechter moeten motiveren waarom.


Ook Jozefien kan niet zelf beslissen waar ze gaat wonen. Het is de jeugdrechter die zal beslissen. De jeugdrechter is wel verplicht naar de mening van Jozefien
te luisteren.

 

 

CONCLUSIE

Minderjarigen tot 18 jaar mogen nooit kiezen bij wie ze gaan wonen en ze mogen ook niet beslissen óf en hoeveel contact ze hebben met een ouder. Het zijn
de ouders of de rechter die hierover beslissen. Ofwel hebben ze inspraak bij hun ouders zelf of ze worden gehoord bij de rechter. Maar al bij al hebben
minderjarigen een zwakke positie als hun ouders uit elkaar gaan: ze kunnen geen procedure inspannen om een bepaalde beslissing te bekomen en ze kunnen
niet in beroep gaan tegen een beslissing waarmee ze het niet eens zijn.


In het decreet rechtspositie van minderjarigen in de jeugdhulp is wel een principieel recht op bezoek opgenomen voor kinderen die residentieel geplaatst zijn.
Daar is dus wel een grotere mate van inspraak –en bemiddeling van hulpverleners – mogelijk.

 

 

Auteur: Karin Maes, coördinator Kinderrechtswinkels
 

 

Bronnen:
  • Wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatige verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind, B.S. 4.9.2006
  • BROUWERS, S., “Wijziging van de verblijfsregeling: criteria en (civielrechtelijke) sancties”, in in C.B.R. (ed.), Verblijfsregeling, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 145-182.
  • DEFRANCQ, R., commentaar bij art. 931 Ger.W. (p. 305-308) en commentaar bij art 56bis Jeugdwet (p.327-330), in KIDS-codex, Boek I, Hoofdstuk 4.2. Procesbekwaamheid van minderjarigen.
  • DESMET, N., “Hoofdstuk 2: De positie van minderjarige kinderen als hun ouders uit elkaar gaan”, in ”KINDERRECHTSWINKELS (ed.), De juridische positie van de minderjarige, Kortrijk/Heule, UGA, 2007, p. 73-30
  • KINDERRECHTSWINKELS, ‘tZitemzo...als ouders uit elkaar gaan.
  • KINDERRECHTSWINKELS, ‘tZitemzo… Kids. Als ouders uit elkaar gaan.
  • KINDERRECHTSWINKELS, ‘tZitemzo...als je gehoord wordt door de rechter.
  • SENAEVE, P., Compendium van het Personen- en Familierecht, Leuven, Acco, 2007, xxp.
  • VAN BOCKRIJK, H., “Het juridisch kader en de toepassing in de rechtspraak, inclusief knelpunten op sociaal en fiscaal vlak”, in C.B.R. (ed.), Verblijfsregeling, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 13-36.
  • VASSEUR, R., “De verblijfsregeling van kinderen van gescheiden ouders: een verruimd wettelijk kader”, TJK 2007/1, 11-20.
  • www.kinderrechtswinkel.be
     
  •  

 

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
07/13231HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6006 
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC5901 
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht; ouderlijk gezag; verzoek van de moeder om te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn om zich samen met de kinderen in Zwitserland te vestigen; mee te wegen omstandigheden; belang van het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl 
NJ 2008, 414 met annotatie door S.F.M. Wortmann 
RvdW 2008, 478 
RFR 2008, 77 
EB 2008, 65 
FJR 2008, 83 met annotatie door I.J. Pieters 

Conclusie

07/13231HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 29 februari 2008

Conclusie inzake:

[De moeder]

tegen

[De vader]

Het cassatiemiddel betreft de problematiek van een voorgenomen internationale verhuizing van een van de ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

1.1.1. Uit het huwelijk van verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) en gerekestreerde in cassatie (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 1997 een zoon geboren en op [geboortedatum] 2000 een dochter. Zij worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de kinderen.

1.1.2. Het huwelijk van partijen is op 7 juni 2006 ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 april 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

1.1.3. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen, die hun hoofdverblijf bij de moeder hebben(1).

1.1.4. Tussen de vader en de kinderen geldt een omgangsregeling, waarbij de vader recht heeft op omgang met de kinderen gedurende een weekend per 14 dagen (van vrijdag na schooltijd tot zondagavond), alsmede op maandag, dinsdag en woensdag tussen de middag en voorts gedurende vakanties en op feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te regelen.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen op 30 november 2006, heeft de moeder aan de rechtbank te 's-Hertogenbosch verzocht te bepalen dat zij,
met ingang van de datum van de te geven beschikking dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist zal achten, gerechtigd zal zijn
om zich samen met de kinderen in Zwitserland te vestigen. De moeder heeft in het kort gesteld dat zij een nieuwe levenspartner in Zwitserland heeft
gevonden, dat zij met de kinderen bij hem wil gaan wonen en dat de vader weigert hiervoor toestemming te verlenen.

1.3. De vader heeft verweer gevoerd. Bij wijze van zelfstandig verzoek heeft hij de rechtbank verzocht te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf
voortaan bij hem zullen hebben. De moeder heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd.

1.4. Bij beschikking van 13 april 2007 heeft de rechtbank zowel het verzoek van de moeder als dat van de vader afgewezen. De afwijzing van het
verzoek van de moeder berustte op de volgende gronden:

- De ouders hebben gezamenlijk gezag over de kinderen. Dit brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen in
beginsel de toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil aan de rechter worden voorgelegd op
de voet van art. 1:253a BW.

- Nu inwilliging van het verzoek ver strekkende gevolgen voor de kinderen heeft, dient de rechter bij de beoordeling het belang van de kinderen voorop
te stellen.

- Een verhuizing naar Zwitserland brengt mee dat aan de huidige omgangsregeling, waarbij er frequent contact tussen de vader en de kinderen is, een
einde komt. De omgang zou worden teruggebracht naar maximaal eenmaal per maand, waarbij kanttekeningen kunnen worden gemaakt bij de
praktische uitvoerbaarheid en financiële haalbaarheid. De mogelijkheid om via moderne communicatiemiddelen contact te houden leidt niet tot een
ander oordeel, omdat zulke middelen nooit dezelfde intensiteit van het contact kunnen bewerkstelligen.

- De rechtbank acht van belang dat de kinderen nog erg jong zijn. Het onmiskenbare belang van het kind, dat het in zijn vertrouwde omgeving kan
blijven en een goed contact kan blijven houden met beide ouders, weegt bij jonge kinderen des te zwaarder.

- Niet aannemelijk is geworden dat de kinderen reeds de door de moeder gestelde nauwe band met Zwitserland hebben (de rechtbank wijst o.a. op het
gebrek aan contact met leeftijdgenoten aldaar en op het taalprobleem).

- Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van beide kinderen niet is gediend met een verhuizing naar Zwitserland.

1.5. De moeder heeft hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 21 augustus 2007 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch de beschikking van de
rechtbank bekrachtigd(2).

1.6. Namens de moeder is - tijdig(3) - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Inleidende beschouwingen

2.1. Het ouderlijk gezag omvat mede de bevoegdheid de verblijfplaats van het kind te bepalen. Indien de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen kan de ene ouder niet zonder goedvinden van de andere ouder met het kind naar een ander land vertrekken. Gebeurt dit onverhoopt toch, dan kan de andere ouder op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag(4) in beginsel de onmiddellijke teruggeleiding van het kind verzoeken. Art. 1:253a BW(5) bepaalt dat geschillen tussen de ouders over de gezamenlijke gezagsuitoefening op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Alvorens te beslissen, beproeft de rechter een vergelijk tussen de ouders. Indien een vergelijk niet mogelijk is, neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

2.2. Art. 1:253a BW stemt inhoudelijk overeen met art. 1:246 lid 2 (oud) BW(6), zoals dit luidde voor de invoering van de wet van 6 april 1995, Stb. 240. In de memorie van toelichting staat, voor zover hier van belang:

"(...) Verschillen ouders dusdanig van mening over opvoedkundige kwesties, dat zij hulp van buitenaf behoeven, dan dient het voor hen mogelijk te zijn om, naast inschakeling van een hulpverlenende instantie, zoals een medisch opvoedkundig bureau, ook de kwestie aan de rechter voor te leggen. In zo'n geval is er sprake van een conflictsituatie binnen het gezin. Rechterlijke inmenging betekent hier dat de rechter in de eerste plaats te zamen met de ouders een oplossing dient te vinden voor de bestaande problemen. Lukt het niet de ouders op dit punt bij elkaar te brengen, dan zal hij beslissen, waarbij hij (...) de vrijheid behoort te hebben de wens van een van de ouders te volgen, dan wel naar eigen goeddunken een beslissing te geven. Veelal zal hij kiezen tussen de beslissingen van vader en moeder; onder bepaalde omstandigheden moet hij zelf een ander besluit kunnen nemen. Vandaar de toevoeging dat de rechter een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (...)"(7)

2.3. Uit de rechtspraak komt naar voren dat beslissingen op grond van art. 1:253a BW niet louter gaan over "opvoedkundige kwesties", zoals de steller van de memorie van toelichting voor ogen had. De toepassingspraktijk omvat bijvoorbeeld geschillen over een traditionele besnijdenis of over vaccinaties. Het ruime toepassingsbereik en de wenselijkheid dat een oplossing wordt gevonden die de tegengestelde belangen zoveel mogelijk verzoent, brengen mee dat aan de rechter veel ruimte moet worden gelaten om een passende beslissing te nemen. Zo behoeft de rechter zich niet te beperken tot het maken van een keuze uit de (tegengestelde) wensen van de ouders(8). De rechter kan, zoals gezegd, een zodanige beslissing nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

2.4. In HR 15 december 2000, NJ 2001, 123 m.nt. SFMW(9), is beslist dat indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening een geschil tussen de ouders ontstaat over de verblijfplaats van het kind, dat geschil op grond van art. 1:253a BW aan de rechter kan worden voorgelegd. De rechter kan daarop de verblijfplaats vaststellen, zonder genoodzaakt te zijn het gezamenlijk gezag te beëindigen. Met het gegeven dát de rechter de verblijfplaats van het kind kan bepalen, is nog niets gezegd over de maatstaven die de rechter daarbij behoort aan te leggen.

2.5. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan: de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (art. 1:247 BW). Een wijziging van de woonplaats van het kind kan consequenties hebben voor de wijze waarop het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend. Daarbij komt dat het door art. 8 EVRM beschermde recht op family life het genot omvat van elkaars gezelschap en het wederzijds contact tussen kind en ouder. Wanneer de rechter de verblijfplaats van het kind bepaalt, is zijn beslissing een inmenging van overheidswege in de uitoefening van het recht van de andere ouder en het kind op family life. Een dergelijke inmenging, in de wet (art. 1:253a BW) voorzien, is slechts toegestaan indien zij in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van (onder meer) de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (art. 8 lid 2 EVRM). Hieruit volgt m.i. dat, wanneer de belangen van de ouders of van een van hen botsen met die van het kind of van de andere ouder, een afweging behoort plaats te vinden. In deze afweging speelt het belang van het kind een zeer gewichtige rol(10).

2.6. Tot de procedurele waarborgen behoort dat de zaak wordt behandeld door een gespecialiseerde rechter (de kinderrechter: art. 808 Rv), dat deze de ouders hoort en minderjarigen van twaalf jaar of ouder in de gelegenheid stelt hun mening kenbaar te maken(11). De rechter kan ook kinderen jonger dan twaalf jaar horen (art. 809 Rv). Tenslotte kan de rechter het advies van de raad voor de kinderbescherming inwinnen (art. 810 Rv(12)). De procedurele waarborgen blijven verder onbesproken, omdat het cassatiemiddel daarop geen betrekking heeft.

2.7. Voor wat betreft de aan te leggen materiële maatstaven stelt art. 1:253a BW het belang van het kind voorop. Dit is een heel algemeen criterium, wat het voordeel heeft dat rekening mag houden gehouden met alle bijzonderheden van het voorgelegde geval, maar het nadeel heeft dat het weinig richtinggevend is. Het belang van het kind komt in veel wettelijke bepalingen voor. Art. 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)(13) houdt in: In all actions concerning children, whether undertaken by public or private social welfare institutions, courts of law, administrative authorities or legislative bodies, the best interests of the child shall be a primary consideration(14). In de parlementaire geschiedenis van de goedkeuringswet is de betekenis hiervan toegelicht als volgt(15):

"Het eerste lid van artikel 3 bevat een algemene richtlijn voor de uitleg en tenuitvoerlegging van het verdrag die van verstrekkende betekenis is. Het geeft aan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind een eerste overweging dienen te vormen (...) Het belang van het kind heeft geen absolute voorrang boven andere belangen ("a primary consideration"). Dat komt mede door de diversiteit van de verdragsbepalingen (vreemdelingenrecht naast bij voorbeeld adoptie). Het Poolse ontwerp bevatte een verdergaand voorstel ("the paramount consideration"). In de discussies werd echter geconstateerd dat er situaties zijn waarin andere belangen, zoals van rechtvaardigheid of van de maatschappij en vooral dat van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, evenzeer van betekenis kunnen zijn. Het is evenwel met de doelstelling van het verdrag in overeenstemming te achten dat, in geval van conflict van belangen, het belang van het kind als regel de doorslag behoort te geven (...)"

2.8. Overigens staat niet vast dat aan art. 3 lid 1 IVRK rechtstreekse werking toekomt. Het belang van die vraag is dat bepalingen van nationaal recht, waaronder het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht, buiten toepassing zouden moeten worden gelaten voor zover zij in strijd zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen (art. 94 Grondwet). De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft recent overwogen:

"De Afdeling verstaat de woorden "de eerste overweging" in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelstalige versie - "a primary consideration" - zo dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. Zoals zij eerder heeft overwogen (...) bevat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving (...)".(16)

Een en ander behoeft m.i. niet in de weg te staan aan het gebruik van art. 3 lid 1 IVRK als bron van uitleg van het begrip "belang van het kind" in op grond van art. 1:253a BW te berechten familierechtelijke conflicten, waar de verbindendheid van de bepaling niet ter discussie staat.

2.9. Het IVRK bevat bepalingen waaruit de lezer zich een voorstelling kan maken van hetgeen de verdragsluitende partijen zich bij "het belang van het kind" hebben voorgesteld. Zo reeds de considerans:

"Erkennende dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn of haar persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezinsomgeving, in een sfeer van geluk, liefde en begrip".

Van de afzonderlijke IVRK-bepalingen noem ik, naast de klassieke grondrechten, het recht op gezondheidszorg (art. 24), het recht op sociale zekerheid (art. 26), het recht op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind (art. 27), het recht op onderwijs (art. 28) en het recht op ontspanning (art. 31). Daarnaast bevat het IVRK een aantal voorschriften, die betrekking hebben op de bescherming van kinderen. Wanneer in een procedure als de onderhavige aannemelijk wordt dat een wijziging van de verblijfplaats een bedreiging vormt voor de uitoefening van een of meer van deze rechten of voor de veiligheid van het kind (bijvoorbeeld: een voorgenomen verhuizing naar een oorlogsgebied), zal de rechter dat meewegen bij de vaststelling van hetgeen het belang van het kind meebrengt.

2.10. Het IVRK houdt in art. 9 lid 1 rekening met de mogelijkheid dat wanneer de ouders gescheiden leven, een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind. De maatstaf voor die beslissing is: dat zij noodzakelijk is in het belang van het kind. Het derde lid schrijft voor dat de lidstaten het recht van het kind eerbiedigen om op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.

2.11. In wetenschappelijk onderzoek is getracht een invulling te geven aan het begrip "belang van het kind". In de vakliteratuur is verwezen naar een publicatie van twee psychologen, waarin de volgende ijkpunten zijn genoemd: een adequate verzorging; een veilige fysieke omgeving; continuïteit en stabiliteit; interesse in de leefwereld van een kind; respect; serieus nemen van behoeften van een kind; geborgenheid bij en steun en begrip van tenminste één volwassene; een ondersteunende en flexibele structuur met ruimte voor initiatief, uitdagingen en experimenteergedrag; adequaat voorbeeldgedrag; brede educatiemogelijkheden; omgang met leeftijdgenoten; kennis over en contact met eigen verleden(17). Deze ijkpunten van gedragskundige aard zijn echter in een gerechtelijke procedure niet gemakkelijk te operationaliseren als criterium voor de bepaling van de verblijfplaats, tenzij één van de ouders op een van deze punten duidelijk tekortschiet.

2.12. In veel gevallen zal een oplossing kunnen worden gevonden door de voorgenomen verhuizing te combineren met de vaststelling of aanpassing van een omgangsregeling. Wanneer de reisafstand tussen de niet-verzorgende ouder en de nieuwe verblijfplaats van de kinderen te groot is om de omgang in de bestaande frequentie voort te zetten, kan worden gezocht naar een vervanging door minder frequent, maar langduriger contact (bijv: extra lange vakanties), dan wel door contacten via telecommunicatie (bijv: webcam, email, telefoon, e.d.). In voorkomende gevallen is zelfs denkbaar dat de kinderen afwisselend een periode bij de ene en bij de andere ouder verblijven: men denke aan de résidence alternée in het Franse en het Belgische familierecht(18).

2.13. Het cassatieverzoekschrift verwijst naar de Principles of European family law regarding parental responsibilities(19). Dit zijn - niet bindende(20) - algemene beginselen die zijn opgesteld door de in 2001 opgerichte 'Commission on European Family Law' (CEFL). Principle 3:21 heeft betrekking op verhuizing (relocation). Hierbij maakt het geen verschil of de verhuizing plaatsvindt in het binnenland of naar het buitenland. Principle 3:21 luidt als volgt:

"1. If parental responsibilities are exercised jointly and one of the holders of parental responsibilities wishes to change the child's residence within or without the jurisdiction, he or she should inform the other holder of parental responsibilities.

2. If the holder of parental responsibilities objects to the change of the child's residence, each of them may apply to the competent authority for a decision.

3. The competent authority should take into consideration factors such as:

(a) the age and opinion of the child;

(b) the right of the child to maintain personal relationships with the other holders of parental responsibilities;

(c) the ability and willingness of the holders of parental responsibilities to cooperate with each other;

(d) the personal situation of the holders of parental(21) responsibilities;

(e) the geographical distance and accessibility;

(f) the free movement of persons."

2.14. Deze gezichtspunten geven de rechter steun bij de invulling van het begrip "in het belang van het kind" in geschillen als het onderhavige. Zij sluiten niet uit dat de rechter ook met andere factoren rekening houdt. Om maar een willekeurig voorbeeld te noemen: indien een van de kinderen een ernstige ziekte heeft en aangewezen is op regelmatige medische behandeling, kan het - niet in de Principles genoemde - belang dat die medische behandeling wordt voortgezet een zeer zwaarwegend belang zijn waarvoor belangen van andere gezinsleden moeten wijken. Aantekening verdient dat sommige van deze gezichtspunten in de loop van de tijd kunnen wijzigen en dan tot een andere beslissing kunnen leiden: de leeftijd van het kind is zo'n variabel gegeven.

2.15. Mede als gevolg van de toename van het aantal internationale huwelijken en echtscheidingen in Europa(22), neemt het aantal geschillen over dit onderwerp gestaag toe. Uit Nederland zijn te noemen, zonder pretentie van volledigheid:

- Rb Haarlem 18 december 2001, LJN: AD7176 (verhuizing naar Spanje geweigerd);

- Hof 's-Gravenhage 5 maart 2003, LJN: AG1643 (verhuizing naar Australië toegestaan);

- Rb Utrecht 26 januari 2005, LJN: AS6703 (verhuizing naar Dubai geweigerd);

- Hof Amsterdam 7 juli 2005 en 6 juli 2006, LJN: AY3928 en AY3929 (verblijfplaats bij één ouder in Zweden of Nederland);

- Rb 's-Gravenhage 1 september 2005, LJN: AU2740 (verhuizing naar België toegestaan);

- Rb Alkmaar 5 april 2006, LJN: AV8683 (verhuizing naar Kreta geweigerd);

- Hof Arnhem 29 augustus 2006, LJN: AZ5530 (hof stelt zodanige omgangsregeling vast dat naar USA verhuisde moeder in feite genoopt wordt naar Nederland terug te keren), vernietigd in HR 19 oktober 2007, NJ 2008, 51 m.nt. SFMW;

- Rb Haarlem 5 december 2006, LJN: AZ4133 (verhuizing naar Turkije; Rb wijst op 1:253a);

- Rb Haarlem 27 februari 2007, LJN: BA1742, FJR 2007, 80 m.nt. CvR (verhuizing naar Spanje geweigerd);

- Rb Rotterdam 23 juli 2007, LJN: BB0581, FJR 2007, blz. 189 m.nt. CvR (verhuizing naar Bonaire geweigerd);

- Hof Leeuwarden 1 augustus 2007, LJN: BB1198 (paspoortgeschil; verhuizing naar Brazilië toegestaan);

- Hof 's-Gravenhage 22 augustus 2007, LJN: BB3142 (verhuizing naar Engeland toegestaan) (23).

2.16. Het valt mij op dat in enkele uitspraken betrekkelijk vlot wordt aangenomen dat het een belang van het kind is om niet te worden weggehaald uit zijn vertrouwde omgeving. Daarmee valt de belangenafweging uit in het nadeel van de ouder die naar het buitenland wil verhuizen. Op zich is waar, dat hechting van kinderen aan de vertrouwde naaste omgeving (woning, naaste familie, vrienden, school, clubjes e.d.) een belangrijk aspect van het belang van het kind is(24). Daartegenover staat dat een verhuizing met een ouder naar het buitenland, inclusief de kennismaking met een andere taal en cultuur, op langere termijn ook positieve effecten kan hebben op de persoonlijke ontwikkeling van een kind(25). De leeftijd van het kind kan hierbij een rol spelen.

2.17. Een van de pijlers waarop de bestreden beslissing steunt, is de door het hof veronderstelde plicht van elk van de ouders om de kinderen in staat te stellen een goede band op te bouwen c.q. te behouden met de andere ouder. Strikt genomen is dit een ver reikende verplichting voor de ouders: bij aanvaarding van zulke verplichting zouden gescheiden ouders in feite genoodzaakt zijn op een betrekkelijk korte reisafstand van elkaar te blijven wonen totdat het jongste kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Niettemin heeft deze opvatting, om zo te zeggen, de wind mee. Bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal is momenteel een voorstel in behandeling voor een Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding(26). Volgens dit wetsvoorstel (nieuw art. 1:247 lid 3 BW) omvat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Het voorgestelde eerste lid van art. 1:253a BW komt grotendeels overeen met het huidige artikel 1:253a. Volgens het voorgestelde nieuwe tweede lid van art. 1:253a kan de rechter een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, onder meer, omvatten: een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

2.18. Volgens de toelichting op het voorgestelde derde lid van art. 1:247 BW is die norm opgenomen om een aantal redenen. De ouders, die in het ouderschapsplan afspraken maken over de wijze van uitoefening van het ouderlijk gezag, zullen rekening moeten houden met deze norm. Ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken is in beginsel niet mogelijk dat ouders afspreken dat het kind geen contact heeft met een van zijn ouders. De norm brengt tevens tot uitdrukking dat afspraken over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken moeten worden nagekomen door beide ouders(27). Als gevolg van een amendement-De Wit(28) is aan het wetsvoorstel een vierde lid van art. 1:247 BW toegevoegd, waarin kort gezegd is bepaald dat een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, na de scheiding van de ouders recht behoudt op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. In de discussie is tot dusver enigszins onderbelicht gebleven, hoe moet worden omgegaan met een wijziging van omstandigheden nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan(29). Indien de ouders - naar nieuw recht - een ouderschapsplan hebben gemaakt, of wanneer de ouders - naar huidig recht - zonder ouderschapsplan na de scheiding in dezelfde regio zijn blijven wonen en het kind regelmatig contact heeft met beide ouders, kan zich na verloop van tijd de situatie voordoen dat één van de ouders als gevolg van de aanvaarding van een andere werkkring, als gevolg van de verplaatsing van zijn werk- of klantenkring of in verband met het aangaan van een nieuwe relatie wil verhuizen(30). Bij de bespreking van het cassatiemiddel kom ik hierop terug.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Het middel omvat vijf klachten. Klacht 1 is een rechtsklacht en heeft betrekking op de door het hof aangelegde maatstaf.

3.2. In rov. 4.6.1 heeft het hof overwogen dat het verzoek van de moeder dient te worden getoetst aan de vraag of verhuizing naar Zwitserland in het belang van de kinderen is. In de daarop volgende overwegingen heeft het hof die vraag ontkennend beantwoord. De klacht houdt in de eerste plaats in dat het hof met deze vraagstelling de strekking en reikwijdte van art. 1:253a BW en het daarin opgenomen criterium van het belang van het kind miskent: het belang van het kind wordt niet uitsluitend bepaald door een zo frequent mogelijke omgang tussen het kind en de niet-verzorgende ouder, maar tevens (en in niet mindere mate) door het waarborgen van een rustige en stabiele thuissituatie binnen het nieuwe gezin van de verzorgende ouder waarvan het kind deel uitmaakt, althans beoogd wordt deel uit te maken. Volgens het middel heeft het hof verzuimd de omstandigheid van het nieuwe huwelijk van de moeder, haar zwangerschap en de gevolgen daarvan voor de tot dan toe bestaande gezinssituatie in de toetsing te betrekken.

3.3. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd om, naast het belang van de kinderen, de overige relevante belangen bij de beslissing te betrekken, te weten: het belang van de moeder zelf, het belang van het nog ongeboren kind waarvan de moeder zwanger is, het belang van haar nieuwe partner en het financiële en maatschappelijke belang van voortzetting van het bouwbedrijf van de nieuwe partner van de moeder. Klacht 5 is subsidiair hieraan voorgesteld: indien het hof zijn oordeel niet uitsluitend aan de hand van de in rov. 4.6.1 gestelde vraag heeft gegeven (dient een verhuizing naar Zwitserland het belang van de kinderen?), maar ook het belang van de moeder en haar nieuwe gezin in de beslissing heeft betrokken, is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd.

3.4. De beslissing van het hof rust samengevat op de volgende overwegingen. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen (7 en 10 jaar) acht het hof het in hun belang dat zij kunnen opgroeien in een voor hen vertrouwde omgeving, waarbij zij een goed contact kunnen hebben met beide ouders. Het hof overweegt dat op de ouders de plicht rust, ervoor te zorgen dat de kinderen in staat zijn een goede band op te bouwen met de niet-verzorgende ouder. Dit vergt volgens het hof dat de ouders goed met elkaar kunnen communiceren en dat het contact zonder al te veel emotionele belasting voor de kinderen zal kunnen plaatsvinden(31). Toegepast op het onderhavige verzoek: een verhuizing van de moeder met de kinderen naar het buitenland zal volgens het hof voor de kinderen een emotionele belasting vormen, gelet op hun leeftijd, de mate van contact met de niet-verzorgende ouder, de reisafstand alsmede de wijze waarop de ouders met elkaar kunnen communiceren. In dit geval is er volgens het hof niet zo'n goede communicatie tussen de ouders en betekent een verhuizing naar Zwitserland dat er minder frequent en minder intensief contact van de kinderen met hun vader zal zijn.

3.5. Klacht 1 valt uiteen in twee met elkaar verband houdende vragen. Indien uitsluitend het belang van de kinderen telt, zet de klacht een vraagteken bij de juistheid van het oordeel dat het belang van de kinderen het meest is gediend bij een afwijzing van de toestemming om de kinderen naar Zwitserland te laten verhuizen: weliswaar heeft die afwijzing het voordeel dat de omgang van de kinderen met de vader met dezelfde frequentie kan blijven plaatsvinden, maar daartegenover staat een nadeel voor de kinderen. De moeder heeft verklaard dat zij op 8 september 2007 in het huwelijk zal treden met haar Zwitserse vriend en dat zij een kind van hem verwacht. Indien de moeder met de kinderen in Nederland moet blijven wonen, omdat het hof geen toestemming geeft voor de verhuizing van de kinderen naar Zwitserland, zal de moeder haar tijd en aandacht moeten verdelen tussen haar "oude" gezin en haar "nieuwe" gezin. De kinderen komen dan te leven in een - wat het middel noemt - "gebroken gezin".

3.6. Uit de bestreden beschikking blijkt inderdaad niet uitdrukkelijk, of het hof dit aspect heeft meegewogen in zijn oordeel over wat in het belang van de kinderen is. Zo het oordeel al niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "het belang van het kind", is het oordeel op dit punt in elk geval onvoldoende gemotiveerd. In zoverre slaagt klacht 5.

3.7. Belangrijker acht ik de in het middel aan de orde gestelde rechtsvraag: of, en zo ja, in hoeverre de rechter rekening mag en moet houden met andere belangen dan het belang van het kind over wiens woonplaats een beslissing van de rechter is gevraagd. De wettekst wekt de indruk dat de rechter zich uitsluitend behoeft te bekommeren om het belang van het kind: "De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt". Indien ouders gezamenlijk (in onderling overleg) de woonplaats bepalen van het kind waarover zij gezamenlijk het gezag uitoefenen, plegen zij met alle betrokken belangen rekening te houden, niet uitsluitend met het belang van het kind. De ouders betrekken ook hun eigen belangen en die van de andere gezinsleden in de afweging. Ook met belangen van derden, zoals (meerderjarige) broers en zussen of grootouders, kunnen de ouders rekening houden wanneer zij de woon- of verblijfplaats van het kind bepalen(32). Is dit ineens anders, wanneer een van de ouders toestemming voor verhuizing van het kind weigert en de andere ouder aan de rechter verlof verzoekt om wijziging te brengen in de woonplaats van het kind?

3.8. In het cassatieverzoekschrift onder 9 is aangevoerd dat hier als vuistregel zou moeten gelden dat de ouder bij wie het kind woont in beginsel het recht heeft de verblijfplaats van het kind te wijzigen, mits de andere ouder tevoren op de hoogte is gesteld en mits de verzorgende ouder met het oog op de voorgenomen verhuizing aan de andere ouder een redelijk voorstel doet voor een bij de nieuwe situatie passende omgangsregeling. De rechter zou zich dan moeten beperken tot een toetsing van de redelijkheid van dat voorstel. In het cassatieverzoekschrift onder 10 heeft de moeder aangevoerd dat de rechter in zijn oordeel dient te betrekken het recht van elke ouder om zijn woonplaats te kiezen daar waar hij dat wenst.

3.9. Voor een zo ver gaande regel als de bepleite vuistregel heb ik geen steun gevonden in art. 1:253a BW, noch elders in het recht. De verzorgende ouder heeft, als ieder ander, het recht zich vrijelijk te verplaatsen binnen het grondgebied van de lidstaat en zijn verblijfplaats te kiezen(33). De verzorgende ouder heeft ook het recht om het land te verlaten. De bestreden beslissing maakt niet rechtstreeks inbreuk op dit recht: de moeder kan zich immers zonder de kinderen in Zwitserland vestigen. Waar het om gaat, is dat de vrijheid van de moeder om met de kinderen in Zwitserland te gaan wonen kan worden beperkt op een wijze die in de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Indien ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen(34), brengt een verhuizing van de kinderen naar Zwitserland mee dat een daadwerkelijke uitoefening van het gezag door de vader (met inbegrip van diens omgang met de kinderen) sterk wordt beperkt. Om die reden kan de bescherming van de rechten en vrijheden van die andere ouder of van de kinderen (indirect) een inbreuk op de vrijheid van verplaatsing van de moeder rechtvaardigen.

3.10. Gelet op art. 3 IVRK vormt het belang van het kind bij de afweging a primary consideration. In dezelfde zin versta ik art. 1:253a BW, voor zover toegepast ter bepaling van de woon- of verblijfplaats van het kind. Ofschoon de tekst van art. 1:253a BW uitsluitend naar het belang van het kind verwijst, brengt een redelijke, met art. 3 IVRK overeenstemmende, uitleg van art. 1:253a BW mee dat de rechter ook de belangen van de ouders en, voor zover van toepassing, van de andere gezinsleden in zijn afweging betrekt. Voor zover die belangen onderling niet te verenigen zijn, vormt het belang van het kind a primary consideration.

3.11. Met zulk een afweging verdraagt zich niet dat de rechter zich zou moeten beperken tot een toetsing van de redelijkheid van een voorstel van de verzorgende ouder tot aanpassing van de omgangsregeling. In zoverre faalt de klacht en leidt de genoemde stelling in het cassatieverzoekschrift onder 9 en 10 niet tot cassatie.

3.12. De klacht onder 5 wijst op een aantal stellingen van de moeder, waarvan het hof de onjuistheid niet heeft vastgesteld. Volgens de klacht dient in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid van die stellingen worden uitgegaan(35). Het betreft, kort samengevat, het volgende. In de procedure in hoger beroep heeft de moeder als haar belang bij een verhuizing met de kinderen naar Zwitserland naar voren gebracht dat zij voornemens is op 8 september 2007 met haar Zwitserse vriend in het huwelijk te treden en dat zij in januari 2008 een kind van hem verwacht. Een alternatief, namelijk dat haar vriend bij haar in Nederland komt wonen, is volgens de moeder om praktische redenen uitgesloten. De moeder heeft dit in appel toegelicht met de stelling dat haar nieuwe levenspartner een bouwonderneming in Zwitserland heeft met 20 man personeel, die niet te verplaatsen is; ook het starten van een nieuwe onderneming in Nederland is volgens de moeder niet haalbaar. Het hof heeft de argumenten van de moeder wel genoemd (in rov. 4.4), maar niet uitdrukkelijk in zijn afweging betrokken.

3.13. Ter verdediging van de bestreden beslissing zou kunnen worden betoogd - in cassatie is geen verweerschrift ingediend - dat het hof het belang van de moeder om zich met de kinderen in Zwitserland te vestigen, impliciet in zijn afweging heeft betrokken. Het komt mij echter voor dat de bestreden beschikking voor die gedachte te weinig aanknopingspunten biedt. Het hof is blijkbaar ervan uitgegaan dat op de ouders een verplichting rust om zo dicht in elkaars nabijheid te blijven wonen dat de bestaande frequentie van de omgang tussen de kinderen en hun vader behouden blijft. Dat is een andere maatstaf dan een afweging van de belangen van elk van de ouders en de belangen van de kinderen, waarbij het belang van de kinderen a primary consideration vormt. Aldus beschouwd, geeft de bestreden beschikking blijk van een onjuiste rechtsopvatting en slaagt, in zoverre, klacht 1. Ter voorkoming van mogelijk misverstand merk ik op dat de bouwonderneming van de nieuwe partner van de moeder, wat mij betreft, niet afzonderlijk in de afweging behoefde te worden betrokken. Die bouwonderneming heeft slechts betekenis voor het debat over de vraag of een alternatieve oplossing mogelijk is.

3.14. Klacht 2 is gericht tegen het slot van rov. 4.6.2. Het hof heeft vooropgesteld dat voor het behoud van een goed en intensief contact tussen de vader en de kinderen bij een verhuizing naar een ander land de communicatie tussen de ouders erg goed moet zijn. Volgens het hof ontbreekt het daaraan. De klacht valt uiteen in twee nadere klachten:

a)onbegrijpelijk is waarop het hof (in navolging van de Raad voor de kinderbescherming) de opvatting baseert dat een erg goede communicatie tussen de ouders noodzakelijk is;

b)onbegrijpelijk is waarop het oordeel is gebaseerd dat in dit geval de communicatie tussen de ouders niet goed verloopt: uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt volgens het middel niet van een gebrekkige communicatie tussen de ouders.

3.15. De beide motiveringsklachten behoeven niet tot cassatie te leiden. Het hof heeft overwogen dat de kinderen nog jong zijn en met een meer dan gemiddelde frequentie contact met hun vader onderhouden. Met de verwijzing naar hun leeftijd heeft het hof kennelijk bedoeld dat de kinderen voor het onderhouden van contact met hun vader (bezoeken van de kinderen aan hun vader in Nederland, bezoeken van de vader aan zijn kinderen in Zwitserland of via telecommunicatie) afhankelijk zijn van de wijze waarop de communicatie tussen de ouders verloopt. Dat is niet onbegrijpelijk. Het hof verwijst naar hetgeen de vader en de moeder tijdens de zitting naar voren hebben gebracht en naar de "strijd" over het vaststellen van een omgangsregeling. Daarmee heeft het hof naar behoren toegelicht waarop dit deel van de beslissing berust. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het naar voren brengen van tegengestelde standpunten op zich niet behoeft te wijzen op slechte communicatie tussen de ouders: soms is een goede communicatie zelfs gediend met een duidelijke standpuntbepaling. Gezien de context heeft het hof met deze overweging niet méér of minder bedoeld dan dat het niet verwacht dat, in geval van verhuizing van de kinderen naar Zwitserland, goede afspraken tussen partijen zullen kunnen worden gemaakt over de wijze waarop het contact tussen de kinderen en de vader wordt voortgezet.

3.16. Klacht 3 sluit aan bij de vorige klacht en voert aan dat de kwalificatie "strijd" over de omgangsregeling feitelijke grondslag ontbeert.

3.17. Het woord "strijd" suggereert wellicht een hoger opgelopen conflict tussen partijen dan waarvan in werkelijkheid sprake is geweest. Wat daarvan zij, ook indien de kwalificatie "strijd" feitelijke grondslag zou ontberen, maakt dat de bestreden beslissing nog niet onbegrijpelijk. Voor het overige behoeft de klacht geen bespreking.

3.18. Klacht 4 houdt in dat het hof, blijkens het proces-verbaal van de zitting van 10 juli 2007, de zwangerschap van de moeder weliswaar heeft aangemerkt als een nieuwe omstandigheid, maar heeft nagelaten deze omstandigheid in zijn afweging te betrekken. Deze klacht vormt een gedeeltelijke herhaling van klacht 1 en deelt het lot daarvan. Voor het overige behoeft de klacht m.i. geen bespreking.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn.

2 LJN: BB6006; JIN 2007, 630 m.nt. P. Dorhout.

3 Een copie van het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende cassatieverzoekschrift is binnen de termijn per fax ingekomen; op 22 november 2007 is het originele rekest ter griffie ontvangen.

4 Verdrag van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139.

5 Wet van 6 april 1995, Stb. 240 (Nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen), in werking getreden op 2 november
1995. Zie over dit artikel: Asser-De Boer, 2006, nr. 820a; J.E. Doek en P. Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg, 2006, blz. 150 - 151; Personen- en
familierecht, losbl., aant. op art. 1:253a (J.E. Doek).

6 Wet van 30 augustus 1984 tot wegneming van een aantal ongelijkheden tussen man en vrouw in het personen- en familierecht en in enige andere
wetten, Stb. 404. Vóór invoering van deze wet bepaalde art. 1:246 lid 2 (oud) BW dat bij verschil van inzicht omtrent de gezagsuitoefening de wil van de
vader beslissend is. Indien de beslissing van de vader kennelijk in strijd was met of ernstige gevaren opleverde voor de zedelijke of geestelijke belangen of
voor de gezondheid van de minderjarige, kon de kinderrechter de beslissing van de vader op verzoek van de moeder teniet doen (lid 3).

7 MvT, Kamerstukken II 1979/80, 16 247, nr. 3, blz. 6.

8 Daarbij moeten wel de regels van hoor en wederhoor in acht worden genomen: de rechter mag partijen niet overvallen met een oplossing waarover
partijen zich niet hebben kunnen uitlaten: HR 19 oktober 2007, NJ 2008, 51 m.nt. SFMW. Die beschikking omschrijft bovendien de verhouding tussen
art. 1:253a en art. 1:377h BW.

9 Zie eerder al: HR 2 februari 1990, NJ 1990, 363 (kopje).

10 EHRM 13 juli 2000, app. 25735/94 (Elsholz/Duitsland), rov. 50: "The Court further recalls that a fair balance must be struck between the interests
of the child and those of the parent (...) and that in doing so particular importance must be attached to the best interests of the child which, depending on
their nature and seriousness, may override those of the parent." Iets sterker nog drukte het EHRM zich uit in EHRM 5 november 2002 (Yousef/Nederland),
NJ 2005, 34 m.nt. JdB, rov. 73: "If any balancing of interests is necessary, the interests of the child must prevail."

11 Zie ook art. 9 lid 2 IVRK.

12 In dit geval heeft het hof de raad voor de kinderbescherming ter zitting gehoord, maar is blijkbaar geen aanleiding gevonden voor een schriftelijke
rapportage. Partijen in dit type zaken hebben desgewenst de mogelijkheid om een eigen deskundige te laten rapporteren (art. 810a Rv).

13 Verdrag van 20 november 1989, Trb. 1990, 170.

14 De Nederlandse vertaling van de verdragtekst wijkt hiervan enigszins af, in die zin dat daarin is bepaald dat de belangen van het kind bij alle maatregelen
"de eerste overweging" vormen. Zie over de totstandkoming van het artikel: The United Nations Convention on the Rights of the Child; a guide to the "
travaux préparatoires" (red. S. Detrick e.a.), 1992, blz. 131 - 140.

15 MvT, Kamerstukken II 1992/93, 22 855 (R1451), nr. 3, blz. 14 en 15.

16 ABRvS 12 april 2007, LJN: BA3394; JV 2007, 241, rov. 2.5.1.

17 S. Meuwese, Het belang van het kind in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, Tijdschrift voor de Rechten van het Kind, 2003, blz. 23-26,
verwijzend naar: J. Heiner en A.A.J. Bartels, Jeugdstrafrecht en het belang van het kind: het belang van het kind nader omschreven, FJR 1989, blz. 59-67
, i.h.b. blz. 62-63.

18 Zie daarover: K. Boele-Woelki, Verblijfs-co-ouderschap: regel of uitzondering? FJR 2006, blz. 303; G. Verschelden e.a., Rechtspraakoverzicht familierecht,
TvP 2007/1, nrs. 786 e.v., i.h.b. nr. 802. Art. 374, par. 2, Belgisch BW houdt in dat, bij gebreke van een accoord tussen de ouders, de rechter bij voorrang
de mogelijkheid onderzoekt om het verblijf van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders te verdelen. In geval de rechter van oordeel is dat de
gelijkmatig verdeelde huisvesting niet de meest passende oplossing is, kan hij beslissen tot een ongelijk verdeeld verblijf. In ieder geval wordt rekening
gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak en met het belang van de kinderen en van de ouders.

19 Principles of European family law regarding parental responsibilities (red. K. Boele-Woelki e.a.), Antwerpen - Oxford: Intersentia, 2007.

20 Zie Asser-De Boer, 2006, nr. 20c.

21 In de gedrukte Engelstalige versie van de Principles staat hier personal, maar gelet op de andere taalversies moet dat parental zijn.

22 De Europese Commissie heeft daarnaar onderzoek laten instellen in het kader van een voorstel tot wijziging van de Verordening 2201/03 as regards
jurisdiction and introducing rules concerning applicable law in matrimonial matters. Zie document COM (2006) 399 (SEC (2006) 950, blz. 13): van de circa
875.000 scheidingen die per jaar plaatsvinden in de lidstaten (behalve Denemarken) heeft 16 % een internationaal karakter.

23 Zie over binnenlandse verhuizingen: Rb Zutphen 18 december 2002, LJN: AF2603; Rb Utrecht 18 augustus 2006, LJN: AZ1192; Rb Haarlem
28 december 2006, LJN: AZ7530; Rb Utrecht 7 november 2007, LJN: BB8272; Hof 's-Gravenhage 31 januari 2007, LJN: AZ8361.

24 Zelfs in het Haags Kinderontvoeringsverdrag, art. 12, is een uitzondering gemaakt voor gevallen waarin het verzoek is ingediend nadat meer dan een
jaar is verstreken en wordt aangetoond "dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving".

25 Vgl. bijv. Gem. Hof van Justitie N.A.A. 13 juli 1999, NJ 1999, 810.

26 Kamerstukken I 2006/07, 30 145, A. Eerder is een initiatiefwetsvoorstel Luchtenveld, dat grotendeels op hetzelfde onderwerp betrekking had, door de
Eerste Kamer verworpen; zie voor de (gewijzigde) tekst van dat voorstel: Kamerstukken I 2005/06, 29 676, A.

27 MvT, Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3, blz. 6 - 7. Zie ook: Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 6, blz. 14.

28 Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 26.

29 Er zou zelfs een verbinding kunnen worden gelegd met art. 6:258 BW.

30 In het voorlopig verslag van de Eerste Kamer is hierover een vraag gesteld: Kamerstukken I 2007/08, 30 145, B, blz. 2.

31 Hoewel het hof dat niet zegt, lijkt het hof zich hier te hebben laten inspireren door HR 10 september 1999, NJ 2000, 20 m.nt. SFMW, welke uitspraak
betrekking had op de vraag of één ouder exclusief met het gezag kan worden belast.

32 De ouders zijn rechtens daartoe niet gehouden, tenzij die derden uit hoofde van een eigen recht op family life met het betrokken kind aanspraken
jegens de ouders geldend kunnen maken.

33 Zie art. 2 van het Vierde protocol bij het EVRM. Het vrije personenverkeer binnen de E.U. is in deze zaak niet aan de orde en blijft daarom onbesproken.

34 Zoals na echtscheiding de hoofdregel is: zie art. 1:251 lid 2 BW.

35 Zie blz. 3 - 4 van het cassatieverzoekschrift.


   De wet van18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind

 

 

Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

 

Artikel 2
Artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 april 1995, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :

 

Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind.

 

Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen. Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen.

 

De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders.

 

Artikel 3
Artikel 387bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 april 1995, wordt aangevuld met de volgende leden:

 

Onverminderd artikel 1734 van het Gerechtelijk Wetboek, poogt de rechtbank de partijen te verzoenen. Zij verstrekt hen alle nuttige inlichtingen over de rechtspleging en in het bijzonder over het nut een beroep te doen op de in het zevende deel van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde bemiddeling. Indien zij vaststelt dat een toenadering mogelijk is, kan zij de schorsing van de procedure bevelen, teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige inlichtingen hierover in te winnen en het bemiddelingsproces op te starten. De duur van de schorsing mag niet meer dan één maand bedrag.

 

De rechtbank kan, zelfs ambtshalve, een voorafgaande maatregel bevelen teneinde de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voor een termijn die zij vaststelt, voorlopig te regelen. Ingeval een dergelijke vordering voor het eerst bij de jeugdrechtbank aanhangig wordt gemaakt, en behoudens overeenstemming van alle partijen en van de procureur des Konings, beslist de jeugdrechtbank over een voorlopige regeling. De zaak kan tijdens een latere zitting opnieuw worden onderzocht, op een datum die ambtshalve vastgelegd wordt in het vonnis, binnen een termijn die één jaar niet te boven mag gaan, en onverminderd een nieuwe oproeping op een vroegere datum, zoals is aangegeven in het volgende lid : De zaak blijft ingeschreven op de rol van de jeugdrechtbank tot de kinderen op wie het geschil betrekking heeft, ontvoogd zijn of de leeftijd van wettelijke meerderjarigheid hebben bereikt. In geval van nieuwe elementen, kan de zaak opnieuw voor de rechtbank worden gebracht bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. Artikel 730, paragraaf 2, a), van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op deze zaken.

 

Artikel 4
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387ter ingevoegd, luidende: Artikel 387ter.

 

paragraaf 1
Ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de huisvesting van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter worden gebracht. In afwijking van artikel 569, 5°, van het
Gerechtelijk Wetboek, is de bevoegde rechter degene die de niet-nageleefde beslissing heeft gewezen, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt, in welk geval de vordering voor deze laatste wordt gebracht. De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.

 

Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, kan hij onder meer: nieuwe onderzoeksmaatregelen verrichten, zoals een maatschappelijke enquête of een deskundigenonderzoek; een poging tot verzoening ondernemen; de partijen voorstellen gebruik te maken van de in artikel 387bis bepaalde bemiddeling. Hij kan nieuwe beslissingen nemen met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van het kind.

 

Onverminderd strafvervolging kan hij de partij die het slachtoffer is van de miskenning van de in het eerste lid bedoelde beslissing toestaan een beroep te doen op dwangmaatregelen. Hij bepaalt de aard van deze maatregelen en de nadere regels betreffende de uitoefening ervan, rekening houdend met het belang van het kind en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing. De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de te nemen beslissing zal worden nageleefd en, in die hypothese, stellen dat voor de tenuitvoerlegging van die dwangsom, artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is. De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

 

paragraaf 2
Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de rechten van de partijen geregeld zijn door een overeenkomst zoals voorzien in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval, en onverminderd paragraaf 3, wordt de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.

 

paragraaf 3
In geval van absolute noodzaak, en onverminderd de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, kan bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming worden gevraagd om een beroep te doen op de dwangmaatregelen als bedoeld in paragraaf 1. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. De verzoekende partij moet het verzoekschrift staven met alle dienstige stukken die aantonen dat de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand haar verplichtingen na te komen en dat zij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing. De inschrijving van het verzoekschrift is kosteloos. Het verzoekschrift wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing die niet werd nageleefd, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt.

 

paragraaf 4
Dit artikel doet geen afbreuk aan de internationale bepalingen die België verbinden op het vlak van de internationale ontvoering van kinderen.»

 

Artikel 5
Artikel 1412, eerste lid,van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1987 en 14 januari 1993, wordt aangevuld als volgt: 3° wanneer de rechter artikel 387ter, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft toegepast."

 


Begin Over Mij HoogbegaaftheidDyslexieBeroemde Mensen met de Gaven van dyslexieDit Moet u WetenStukje economieDe economie van KondratieffFavoriete koppelingenVan plastic olie MakenJuridischHondenEnergieBacteriƫnDe piramide van MaslowSteve JobsBorderlinevoedingangst voor de OverheidJaloersdrugswerkende mensen NarcismeJo Janssen Porta Mosana verwijderd dochter van haar vaderlieverbeter.nlBoeddhaWubbo Ockels het is genoeg we zijn te ver gegaan WederkerigheidRegelsgermaansegeneeskunde www.quarter-horses.nlwww.gastenverblijf-rogery.beHomeopathieMedisch falenTransformatie